Raket brandstof in kachel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoals de ouderen onder ons nog herinneren sliepen de on-gegradueerden van de diverse squadrons van Valkenburg in de D-Barakken.
De accommodatie was toen Spartaans. Lange granieten wasbakken met veel kranen, echter met alleen koud water. (In de winter STEENKOUD). Er was dan in die wasplaatsen een klein potkacheltje. Niet om het lekker warm te maken, maar om te voorkomen dat de kranen bevroren. Een temperatuur van enkele graden boven nul bewerkstelligde dit.
In dit verhaal gaat het niet om deze kacheltjes, maar over de grote potkachel die de temperatuur regelde in de slaapzalen.

In die tijd werd deze gestookt met cokes. De hoeveelheid van die brandstof die dagelijks werd verstrekt, was van zo’n klein volume dat wanneer je die snel in de kachel deed, je de temperatuur slechts voor enkele uren aangenaam kon maken.
Er werden diverse dingen bedacht om deze brandstof aan te vullen met middelen weke aanwezig waren en bij verbranding ook de zo nodige warmte gaven. Meestal in de vorm van houten producten die in de directe nabijheid aanwezig waren. Zoals onder andere oude houten kleding kasten van de grondschool.

De cokes zelf was opgeslagen in de buurt van de fotodienst. Om te voorkomen dat deze, onder andere door ons, ontvreemd zou worden, liep daar een uitkijk (soort schildwacht).

De schoorsteen van deze kachel liep over de volle lengte van de slaapzaal en ging aan de tegenover gestelde zijde door het dak. Zodoende zorgde deze, zij het miniem, voor temperaturen boven nul.

Als je ’s morgens wakker werd lag het ijs op je deken, waar je geademd had, dit ook omdat de kachel ’s nachts doofde.
Dit werd niet erg gevonden, lekker onder je deken en knorren maar.

Op de plek waar de kachel stond, een soort zij hok, stond ook een bakstafel. Daar werden veel sterke verhalen en bakken verteld. Wij vonden unaniem dat op deze plek toch wel enige warmte voor ons werd verdiend. De konstabels hadden er iets op gevonden.

De 3 Inch raketten die voor operationeel gebruik door de vliegtuigen afgekeurd werden, haalden zij bij de artillerie uit elkaar. De raket had een vaste brandstof, welke uiteraard licht ontvlambaar was en bij ontbranding zeer hoge temperaturen produceerde. Wanneer deze brandstof beschikbaar was, werd deze, licht gedoseerd in de kachel gedaan. Dit veroorzaakte een hels vuur in dit medium en zorgde voor een zéér aangename warmte, de kachel werd soms bijna doorzichtig.

Deze temperatuur liep soms zo hoog op dat de 15 meter lange schoorsteen voor een deel in plaats van zwart, ook roodgloeiend werd. Een imposant gezicht. En lekker warm.
Eventuele door branding van de schoorsteen of een exploderende kachel werd als risico aanvaard. Een door mij geschetste uitvoering van het bewuste medium heb ik toegevoegd.

De aanranding

stille getuigen

Van dit verhaal weet ik toevallig de juiste datum, omdat het plaats vond tijdens een jaarlijks evenement te Leiden op 3 oktober, deze maal in 1963.
Ik was geplaatst op MVK Valkenburg in de opleiding VOB op de Grondschool. Mijn slaap verblijf en woning als zijnde boord plaatser was D-15, één van de barakken achter het Cafetaria.
Ik had met de inspectie van de sloep bij de wacht met goed gevolg doorlopen en mij per NZH bus naar Leiden begeven.
Daar had ik een heel leuke avond, zeker omdat dit de eerste keer was dat ik dit meemaakte.
Maar aan alles komt een eind, mijn centjes waren bijna op en ik begaf mij richting station om de laatste bus te pakken.
In die tijd bestond het meeste van wat verkocht werd bij de kraampjes uit gerookte paling.
Vlak voor het station passeerde ik zo’n kraam en de verkoper riep mij toe: “Palinkje Jantje?”
Hij noemde mij niet bij naam niet hij mij kende, maar ik was in uniform en toen werden wij vaker zo aangesproken.
“Mijn geld is op”, antwoordde ik. “Maakt niet uit ik heb zat verkocht”, zei hij.
Hij rolde enkele van die lange jongens in een krant en gaf die mij.
Ik bedankte hem hartelijk.
Aangekomen bij het station bleek de laatste bus richting vliegveld al lang vertrokken te zijn.
De meest voor de hand liggende mogelijkheid in die tijd was het tijdelijk gebruik van één van de in aantal ruim aanwezige fietsen. Na gebruik werden zij vaak gestald in de vijver bij “Rombaldo”. Het borstbeeld van de oprichter van de MLD, aanwezig op het Vliegkamp.
Deze dump plaats werd af en toe ontdaan van deze ongewenste vegetatie.
Ik richtte mijn aandacht op het fietsen park, Tot ik werd aangesproken door een meneer op een bromfiets, volgens mij een Kaptein Mobilette.
Hij sprak: “Als je met de bus naar het vliegveld wilt, kun je nog wel even wachten. De laatste is al lang weg. Maar ik woon in Katwijk, je kunt met me mee rijden”. Klasse.
Ik stapte met mijn bos paling achter op, stormbandje om en we vertrokken richting Katwijk.
Ik was toen geheel onbekend in de omgeving, maar ik dacht dat we over een spoorweg overgang kwamen, toen hij stopte. Hij zei “Ik heb koude handen, kun jij een stukje rijden?”
Geen probleem. Hij nam de paling over en ik de besturing van de machine.
Toen we een stukje gereden hadden, voelde ik een hand in een streek waar ik nog nooit was betast door iemand van het zelfde geslacht. Ik schrok en duwde zijn hand weg.
We reden nog even door en naderden Katwijk. Hij begon weer en ik duwde hem ook weer weg. We waren ondertussen aangekomen in Katwijk en hij zei plotseling: “Hier woon ik, hier moet je links af”.
Zonder te aarzelen deed ik dat dan ook. Onze snelheid was echter nog te hoog. We knalden op een stoeprand en werden gelanceerd. We doorboorden een hoge heg en kwamen gedeeltelijk in de achter tuin van een Katwijker terecht. Ik kwam met de schrik vrij.
Ik stapte af en rukte de paling uit de hand van mijn passagier. Deze zat nog steeds stijf van schrik achter op de Mobilette. Ik beet hem nog enkele onvriendelijke woorden toe en verliet de tuin door het tuinhekje.
Ik vervolgde mijn weg via de wacht C2, het paadje achter de C-barakken en de Kampweg naar D-15. Het werd Catalina pad genoemd.
In mijn slaapzaal aldaar, nam ik plaats in een soort zij hok met een kachel, een baks tafel en twee baks banken. Ik ging een palinkje nemen.
Toen ik de krant opende zag ik iets ongewoons. De palingen waren van voren
bij de kop en achter richting staart, dikker dan normaal. In het midden bestonden zij uit een paar vellen en graten die samen geknepen waren.
Dit was hoogst waarschijnlijk het gevolg van het schietgebed van de liftgever toen hij er van overtuigd was dat zijn laatste uur geslagen had.

Aleksandr van Tupolev

TU 95 “Bear” ons wel bekend.

Aleksandr

Bij het bekijken van foto’s van mijn oude computer die ik op een externe harde schijf heb gezet, kwam ik er een tegen van een bijzondere man.
Ik werkte in die tijd bij het Rijksmuseum van Volkenkunde te Leiden. Een van mijn collega’s was Irina, afkomstig uit Moskou.
Op een gegeven moment was haar zus, ook wonend te Moskou, met haar echtgenoot Aleksandr Nikolajevitch bij Irina voor een aantal dagen te logeren.
Ik heb toen met Irina met hen een mooi toertje via Gouda met zijn kaasmarkt en via het riviertje de Vlist naar Schoonhoven gemaakt. Ze vonden het prachtig.
We hebben toen op een bankje aan de Lek wat Russische en Nederlandse dingen gegeten en gedronken. Héél gezellig.
Toen Irina en haar zuster die rivier met die mooi kleine strandjes zagen kwam een bijna onbedwingbare dwang bij hen naar boven om ons naar zo’n strandje te begeven en te gaan zwemmen. Ik had er niet op gerekend om met twee naakte dames in de Lek te poedelen en zag dat niet helemaal zitten. Gelukkig zagen zij er van af. Ik heb trouwens in de meertjes van de duinen bij Katwijk vaker mensen uit het Oostblok spontaan een duik zien nemen. Dat is daar heel normaal zei Irina.
Ik kom even terug op de Aleksandr Nikolajevitch. Hij en zijn vrouw spraken geen woord buiten de Russchishe grens. Irina fungeerde natuurlijk als tolk. Ik informeerde wat hij zoal deed en had gedaan.
Hij vertelde dat hij de bewaking zat in Moskou. Voorheen, tot de ommekeer in Rusland, was hij als vliegtuigkundig ingenieur werkzaam bij Tupolev. Daar werkte hij onder andere ook aan de ons zo bekende TU 95 “Bear”.
Ik vertelde hem over mijn baan bij de MLD en daar door enkele keren naast zo een vliegtuig had gevlogen. Wij fotografeerden dan elkaar en soms zwaaiden wij bij het weg draaien.
Volgens hem had hij vaak vluchten met de Bear gemaakt en bij sommige van deze ook naar Nederlandse Neptunes had gezwaaid.
De wereld is klein.

Avenger upside down

Grumman Avenger

Toen ik bij de MLD kwam was er een Sergeant vlieger waar ik tegen op keek omdat hij voor mij op een bepaalde manier, prachtige verhalen kon vertellen. Dit is er een van.
Hij vloog in die tijd op de Avenger. Na een vlucht kwam hij landen, op MVKValkenburg.
Tijdens de landing kreeg hij motor storing, deze sloeg af, hij concentreerde zich op een landing zonder motor vermogen. Vlak voor de baan pikte de motor weer op. Of dit de oorzaak van de crash is geweest weet ik niet meer te herinneren. De kist kwam door dit alles op zijn kop op de baan terecht.
Toen der tijd was ook nog een detachement van de luchtmacht aanwezig op Valkenburg met Dakota’s. Een luchtmachter was toevallig bezig met het be/ontladen van zo’n Dakota met een flinke hef truck, toen het ongeluk plaats vond.
Deze verliet zijn post en spoedde zich met zijn truck naar de plaats van het ongeval. Hij wist de kist op te tillen en de vlieger kon voorzichtig bevrijd worden. Gelukkig voorzichtig.
Het bleek namelijk dat hij een zware nek blessure had opgelopen. Later kwam ook uit dat hij voor een deel verlamd was.
Hij vertelde mij dat hij alleen zijn handen goed kon gebruiken en daar mee was gaan revalideren door constant in kleine rubber balletjes te knijpen.
Het heeft tijd geduurd, maar uiteindelijk is hij er weer helemaal boven op gekomen en ging weer vliegen.
Ik zei al dat ik hem bewonderde, ik was nog jong, niet alleen door zij verhalen maar ook door de fysieke kracht die hij uitstraalde. Hij was enorm sterk geworden door die oefeningen. Hij demonstreerde dit soms door een stoel tussen zijn tanden te nemen en die zo met zijn nek achterover op te tillen.

Een Delta III met crew 15

Crew 15 XXL te Keflavik

Akoestische concentratie

De Delta III was en is misschien nog steeds , een groot platform onder de zeespiegel in de vorm van een enorme onderzeeboot.
Aan boord bevonden zich zestien ballistische projectielen die elke plaats op aarde konden treffen. Voor alle zekerheid hadden ze op elk projectiel vijf afzonderlijke zeer krachtige kernkoppen geplaatst om het effect aldaar zo groot mogelijk te maken.
Er voeren een aardig aantal van deze jongens rond in de koude oorlog en het was dus nodig dat de positie van hen constant bekend was. Dit om een onverwachte aanval in de kiem te kunnen smoren.
Op een dag kregen wij met bemanning 15, met de Orion, zo een stoute jongen te spotten. Nu was deze vanwege zijn positie, niet ver van IJsland, een soort van vreemde eend in de bijt.
Het contact was misschien een beetje twijfelachtig, maar we werden er toch op af gestuurd.
Ik had twee leerlingen VOB en ook de cockpit en het tactische gedeelte waren goed bezet.
Via de foto na het verhaal zal ik proberen een ieder te benoemen.
We gingen airborne en strooiden ons patroon met sonar boeien. Vanwege de relatief korte afstand tot het vaste land kregen wij vele contacten binnen die we konden relateren aan niet het doel zijnde.
Al met al, het was niet makkelijk, maar dank zij de uiteraard voorteffelijke vakkennis (hum)van onze bemanning wisten wij hem er uit te zeven en te lokalizeren. (Als je jezelf niet kietelt, doet niemand het).
Toen we weer op weg naar huis gingen en nog een keer “On Top” kwamen, zagen wij ver beneden ons een klein oppervlakte contact varen.
Mij hart stond stil, had ik dan een vissersbootje na gezeten? Na bestudering via diverse kijkers werd duidelijk dat de DeltaIII met zijn masten aan de oppervlakte voer. Pfffffffff!!!!!

Hemstiching

Neptune hemstichig

 

Aan boord van de Stoef en de Neptune moest de VOB’er* van alle markten thuis zijn. Dit in tegenstelling van op de Orion, waar de verschillende taken in principe waren opgesplitst in naten droog.
Ik ga het hebben over de taken van de VOB aan boord van de Neptune. Deze waren dus uitgebreider dan aan boord van de Stoef.
We waren met 3 of 4 VOB’ers aan boord en wisselden om bepaalde tijden met elkaar.
Deze taken waren:
1. Verbindingen met de wal door middel van de HF radio met gebruik van Morse of Voice.
Het coderen of decoderen van de berichten.
2. Het bedienen van de radar.
3. Het bedienen van de ESM. (Radar onderschepping}
4. Het bedienen van de sono sensoren zowel actief als passief.
5. Het bedienen van de MAD. (Meten magnetische afwijkingen)
6. Het bedienen van de LORAN. ( Long range Navigation)

Bij de punten 2 t/m 5 werden bepaalde tactieken gebruikt welke uit diverse betreffende boeken werden geleerd en waar nodig toegepast.
Dit verhaal gaat over 1 van de taktieken welke kon worden toegepast bij het gebruik van de ESM.
De ESM was een apparaat waar mee je radar uitzendingen van anderen kon onderscheppen, peilen en classificeren. Er waren meerdere taktieken, maar deze gaat over het zogenaamde
“Hemstiching”.
Een radar die uitzendt, heeft een soort bundel waarmee hij zijn doel opspoort. Het meeste vermogen ligt in het midden daar van. Daar krijgt hij ook de sterkste echo terug en heeft dus daar ook het grootste bereik.
Aan de buiten randen van deze bundel is het vermogen klein en soms zo klein dat er niet voldoende van is om een echo terug te zenden die sterk genoeg is om zichtbaar te zijn op de radar. Onze ESM ontving hem nog wel.
Hemstiching was een taktiek om steeds wanneer het radar signaal op de ESM sterker werd, lager te gaan vliegen om aan de rand van de bundel te blijven. Zodoende konden wij het doel dicht naderen zonder (hopelijk) zelf gedetecteerd te worden.
Hier is trouwens niets geheims aan, het werd in WW2 al toegepast. Boven het kanaal werd door de gealieerden, indien mogelijk, al onder de Duitse radar bundel gevlogen.
Even een praktijk geval.
Ik was met bemanning Delta met de Neptune voor een van de detacheringen van 4 maanden geplaatst op Curacao.
We maakten een rond trip door de Carabiën en deden verschillende eilanden aan. Daar onder ook de Cayman Islands. Een idyllisch oord waar van werd gezegd dat vele hoofdmannen van de piraten schepen uit vroeger tijden daar hun thuishaven hadden. Ook ging het verhaal dat nog vele schatkisten op deze eilanden te vinden zouden zijn.
Wat mij het meest is bij gebleven was dat op het vliegveld bijna al het vrouwelijk personeel in charmante piraten pakjes met korte rokjes liep. De oude rovers hadden trouwens ook voor een soort nakomelingen gezorgd waar je met plezier naar keek.
Na een gezellige avond en goede nachtrust gingen we de volgende dag weer op weg naar onze volgende bestemming.
Na de start en na geklommen te zijn ontdekte ik na enige tijd een radar signaal op de ESM in noordelijke richting. De vliegtuig commandant vond dat we deze gelegenheid moesten aanpakken om een oefening te doen. We gingen hemstichen.
We konden geen classificatie vinden maar gingen toch aan het werk. Iedere keer, bij een sterker wordend signaal, gingen we lager. Tot we vlak boven zee vlogen. Toen draaiden we af. We meenden ook land te zien.
Ik vraag me soms nog steeds afwat voor radar het is geweest.

Detachering op Sicillië

 

We waren daar met de Stoef getetacheerd op Fontana Rossa nabij Catania. We oefenden daat met het smaldeel.
Op een van deze vluchten bevonden zij zich dat noord van Sicilië. Het waaide op de basis hard, tot zeer hard. We konden echter toch starten en gingen richting oefen gebied noord van Sicilië.
Aangekomen bij onze varende collega’s zagen we beneden ons geen schuimkoppen, maar alleen maar schuim. De schepen hadden het heel hard te verduren. Het opsporen van een onderzeeboot was, onder deze weersomstandigheden, onmogelijk. We werden dan ook bedankt en gingen terug naar basis.
We namen de korste weg, door Straat Messina. Op een moment kwamen we aan de lij-zijde van de Etna te zitten. Daar de storm van de andere kant kwam, kwamen wij in een ongelooflijke turbulentie terecht.
Strak ingestript gingen we door deze draaikolkende lucht.
Eenmaal voorbij de Etna werd het rustiger en we landden zonder moeilijkheden. De kist werd wel na gemeten.
Enige tijd na de landing vernamen wij dat de eerste officier en de chef der equipage van de Zeven Provinciën over boord waren geslagen en omgekomen.
Zij werden naar ons vliegveld gebracht. Wij hebben toen met ons squadron bij hun wacht gelopen. Dit was een droevig moment tijdens onze detachering.
We sliepen in een kleine slaapzaal met veel mensen. Op stapel bedden. We hadden kleine kastjes. Daarom hing onze kleding aan deze bedden. Er werd al een tijdje gestolen.
Op de avond voor dat we naar huis gingen kon ik niet in slaap komen. Ik lag al een tijdje wakker toen ik in het donker een figuur de slaapzaal op zag komen.
Hij begon bij het eerste het beste bed in de kleding te rommelen. Ik had door dat hij aan het stelen was. Ik liet hem zijn gang gaan tot hij halverwege de slaapzaal was. Toen sprong ik boven op hem. Ik riep: “Ik heb hem, ik heb hem!!”.
Het was een klein Italiaantje dat kraakte in mijn houdgreep. Hij gilde van schrik en begon zijn excuses aan te bieden. Ik liet hem echter niet los. De maten werden ook wakker en sloegen alarm.
De officier van de wacht kwam de zaal op vergezeld van twee mannen bewapend met snelvuur dingen.
Het mannetje verstijfde. Ik had écht medelijden met hem. Maar ja, het kon niet meer terug gedraaid worden. Ik kende hem. Hij was vaak in ons gezelschap. Hij was een zéér arm milicieëntje die erg tegen ons op keek. Jammer dat het zo tussen ons moest aflopen.
Op de dag van ons vertrek werd ik samen met onze detachement commandant LTZ Kopp ontboden bij de basis commandant. Deze bood mij persoonlijk zijn excuses aan.
Ik denk nog heel af en toe aan dat kleine ventje dat zo tegen ons op keek. Als ik had geweten dat hij het was had ik hem met kop en kont naar buiten gesmeten, maar niet aangegeven. Hoe zal het met hem afgelopen zijn, niet zo best denk ik. Arme donder.

Hoogspanning op Samosir.

Wonderschoon Pulau Weh met grote stranden voor je alleen.

Takengon, prachtig gebied in Atjeh, maar licht bedreigend.

 

Bukit Lawang aan de rand van het regenwoud. Niet te geloven hoe relaxed.

Zij werden ooit als baby ontvoerd door, onder andere, militairen. Wanneer ze volwassen waren werden ze gedumpt. Hier in Bukit Lawang worden ze her opgevoed.

Mooi Samosir, ons onverwachte eindpunt.

Kaart van noord Sumatra met Pulau Weh, Takengon, Bukit Lawang, Samosir en Medan.

Het was eindelijk zo ver. Wally en Marijke Anderson hadden in 1995 samen met Jolanda en mij een lange trip door Indonesië gepland.
We vlogen rechtstreeks van Amsterdam naar Medan. Daar overnachtten wij en de volgende dag vlogen wij lokaal naar Banda Atjeh. Daar aangekomen namen wij de ferry naar Pulau Weh, een klein eilandje noord van Banda Atjeh.
Het was een schitterend maar ook streng Islamitisch oord. Misschien door de strenge regelgeving leek het er op dat wij, op enkele back packers na, de enige toeristen waren.

Na dat wij enkele dagen weer voet aan wal in Banda Atjeh hadden gezet, begaven wij ons met de bus, welke best redelijk was, naar Takengon. Ook een mooie stad gelegen aan een prachtig meer. Daar was het zeker zo streng als op Weh. Wederom geen enkele andere toerist gezien. Bovendien hadden we sterk de indruk dat we constant in de gaten werden gehouden.
We hielden het voor gezien en begaven ons, weer met de bus, via Medan naar Bukit Lawang, gelegen aan de rand van het regenwoud. Ook weer een prachtige stee waar alles gelukkig weer kon.

Van Bukit Lawang begaven wij ons naar het Toba Meer, waar we logeerden in het Sony “hotel” op het eilandje Samosir.
We genoten volop en op een dag besloten wij een brommer te huren en proberen het eiland rond te rijden.
Nu waren het nogal zware brommers. Voor Wally, die lang motor had gereden was dit geen bezwaar. Voor mij daarentegen was het goed wennen.
We maakten een mooie tocht. Tot dat ik, vlak voor thuiskomst, een klein steil heuveltje onderschatte en door gebrek aan ervaring niet kon voorkomen dat het voorwiel los kwam en wij tegen het asfalt kwakten.

Ik had enkele schaafwonden en Jolanda zag er redelijk gaaf uit. Tot ik naar haar knie keek. Daar zat een diepe snijwond die openstond als een wijwater bakje. Tot overmaat van ramp was dit gevuld met straatvuil bestaande uit zand, stof en fijn grind.
Het was al tegen de avond, niemand te zien. Wally reed naar huis om later met een ander mijn brommer op te halen. Op het zelfde moment stopten er twee busjes met oudere Nederlandse nonnen die werden rond gereden langs alle kloosters en kloostertjes die ze vroeger ooit hadden opgestart. Zij namen direct actie en spoelden met alle beschikbare flesjes drinkwater de wond van Jolanda zo goed mogelijk uit.
Ze stelden mij voor dat wij met hun naar een klooster zouden rijden om medische hulp te verkrijgen. Aldus geschiedde. Jolanda in het ene, ik in het andere busje.

Mijn busje reed voorop, maar we werden na een tijdje ingehaald door het luid toeterende andere.
We reden met bijna onverantwoordelijke snelheid in drie kwartier naar het klooster. Daar bleek dat Jolanda waarschijnlijk in shock was geweest, maar toen ze tot rust kwam haar bloedsomloop weer op gang was gekomen en het bloed uit de wond stroomde.
Onderweg had men dit zo veel mogelijk proberen te stelpen, maar ze had al aardig wat bloed verloren.

Aangekomen in het klooster werd zij direct naar de ziekenboeg gebracht waar twee Indonesische nonnen zich over haar ontfermden. Ik zat er bij en ik keek er naar. Ik kreeg de indruk dat ze nou niet echt professioneel bezig waren. Het bloeden stopte niet en zij konden de lekkende ader duidelijk niet te pakken krijgen. Zij giechelden zenuwachtig van onmacht.
Jolanda begon een bedenkelijk bleke kleur te krijgen. Ook begon zij zwakker te praten. Een Nederlandse non die ook aanwezig was pakte op een zeker moment mijn hand, keek mij verdrietig aan en schudde langzaam haar hoofd.

Opeens vloog de deur open en kwam een andere Nederlandse non binnen. Zij had vroeger als operatie zuster gewerkt. Zij nam het roer over en had, wonder boven wonder, de ader snel te pakken en het bloeden stopte.
Jolanda kreeg nog een infuus en kwam heel langzaam weer op de lijn. De zuster, genaamd Hilaria, hechtte de wond en stelde voor dat wij in het klooster zouden overnachten.
Jolanda verzette zich daar sterk tegen en gaf te kennen dat zij zo snel mogelijk naar een ziekenhuis in Medan vervoerd wilde worden. Zij wist iedereen te overtuigen.

Er was een grote Landrover aanwezig. Deze kon veranderd worden in een soort zieken wagen met een brancard. Aldus geschiedde en omstreeks elf uur in de avond verlieten wij Samosir via een brug. aan de west kant. Het weer was ondertussen zeer slecht geworden. Het plensde van de regen en er waren bliksems alom. De rit was gepland op ongeveer vijf uur. De wegen waren slecht begaanbaar en we zagen zelfs enkele vrachtwagens in de berm liggen. Als het geen Landrover was geweest maar een normale ambulance, hadden we het zeker niet gered.

Uiteindelijk kwamen wij na acht uur rijden in Medan. We kwamen aan bij het st. Elizabeth ziekenhuis wat een dependance van het ziekenhuis in Leiderdorp bleek te zijn.
Daar werd Jolanda direct naar de eerste hulp gebracht en ik belde de reisverzekering. Na dat ik hen had uitgelegd wat de situatie was, stuurden zij een fax met de mededeling dat er voor de operatie niet meer werd betaald dan 750 dollar.
De beschikbare chirurg die ondertussen was gearriveerd zei toen hij dit hoorde: “Als dat zo is geef ik jou wel de instrumenten en doe je het maar zelf”.
Ik kreeg wederom toestemming bij de receptie om naar Nederland te bellen. Ik kreeg de man van de fax aan de telefoon, hij zat bij de ANWB in den Haag begreep ik.

Ik liet hem het volgende weten: “Ik heb begrepen dat u bij de ANWB werkt. Ik woon in Valkenburg zh, niet ver van uw werkplek. Ik verzeker u, als mijn echtgenote iets overkomt door uw bod, ik u makkelijk kan vinden. Ik zal u dan door uw loketje trekken en door middel van mishandeling zorgen dat u voor de rest van uw leven in de ziektewet zal zitten”.
Binnen een kwartier lag er een fax die vertelde dat er geen financiële limieten aan de operatie waren verbonden.

Het werd een onverwacht lange operatie. Na anderhalf uur werd ik omgekleed en naar de operatie kamer gebracht. Daar zat een chirurg uit Singapore met een uitgesproken peervormig figuur. Hij legde mij uit dat het een hele vieze wond was en de gangreen al toegeslagen had. “I have to cut away a lot of meat”, zei hij.
Gelukkig was hij zeer kundig. de operatie verliep uitstekend. Zijn kundigheid werd nog onderstreept door chirurgen in Nederland waar Jolanda later op controle ging.

De directeur van het (katholieke) ziekenhuis was een pastoor. Hij had tevens de functie van consul te Medan. Ik liet hem weten dat wij zo snel mogelijk naar Nederland wilden. Hij beloofde mij de eerste de beste vlucht te regelen.
Na enige tijd zei hij mij dat het helaas niet mogelijk was geweest om een vlucht eerder te boeken dan over drie dagen.
“Waar is dat kantoor van Garuda”? “Hier drie straten vandaan”.
Ik sprong op en rende zo snel mogelijk naar Garuda. Ik had nog tien minuten. Toen ik bij het kantoor aan kwam, wilde een jonge dame net de deur dicht doen. Ik zette er letterlijk mijn voet tussen. Ze schrok, maar zag dat het mij menens was. Ik legde alles uit, zij begreep het maar de computers stonden al uit. Ze gaf me een telefoonnummer wat is ’s avonds moest bellen. Ik had weinig hoop maar belde toch. Ze had het geregeld. Wat een klasse!
De volgende morgen zaten we in het vliegtuig.

Met de Neptune op IJsland

Foto’s door Jan Vroege zelf

In tegenstelling met mijn tijd bij de Orion, was het aantal detacheringen en vluchten met de Neptune die ik naar IJsland heb gemaakt, op een hand te tellen.
Als platform om nucleaire onderzeeboten te volgen was de Neptune, zoals een ieder wist, te sterk verouderd. Tegen oppervlakte doelen en verkenningen was er echter bijna geen betere.
Ik heb één keer meegemaakt dat wij de opdracht kregen een nucleaire onderzeeboot te volgen. Het een zogenaamde ” Yankee” klasse. Een onderzeeboot bewapend met ballistische raketten met nucleaire lading.
Deze raketten hadden geen erg groot bereik, wat het nodig maakte om relatief dicht in de nabijheid van de Verenigde Staten te komen om te lanceren. Dit even ter zijde.
Onze taak was toen om zo een Yankee te volgen die naar zijn patrouille gebied op weg was.
We gingen airbone en gooiden ons patroon. We kregen even contact, maar de primitieve apparatuur zorgde er al snel voor dat we het contact verloren. Er viel ons achteraf als bemanning niets te verwijten. Daar was iedereen het mee eens.
Buiten deze ene keer weet ik niet van een andere vlucht door ons van deze aard.
Onze opsporing, fotagrafie en analyse van oppervlakte contacten viel daarentegen door weinigen te evenaren. We leefden ons dan ook helemaal uit. Rond IJsland zaten ook relatief veel zogenaamde “Elints”. Om zo te zien visserschepen maar met een verbazend groot aantal antennes geschikt voor alle golflengtes. Van radar tot radio. De Amerikanen waren wat dit betreft dol op ons.
Ook kregen wij af en toe opdracht om de ijskap tussen IJsland en Groenland in kaart te brengen. Prachtige vluchten met fabelachtige uitzichten.
Hoe het de jongens met de Atlantic daar is vergaan weet ik niet. Dit vliegtuig heb ik, overigens buiten mijn schuld , gemist.
Tijdens deze periode was ik in het bezit van een spiegel reflex met een filmrolletje. Elke foto was er dus een. Ik ga er een paar laten zien. Soms al gepost maar ik vind ze erg mooi.

Shit happens

Buccaneer te Lossie

Het was April 1967. (Toen schreef je de maand nog met hoofdletters). We gingen op trip met Suadron 2 met Stoefs naar Schotland om daar in de omgeving te oefenen. We werden gestationeerd op het Marine Vliegveld “Lossie mouth”. Niet al te ver van RAF Kinloss. Ze vlogen daar hoofdzakelijk met Buccaniers, Sea Vixens en helicopters.  Mijn Vliegtuig Commandant was LTZ Kopp. In tegenstelling tot de RAF bases waar we kwamen, was Lossie Mouth een echt Navy vliegveld. Een héél andere mentaliteit. We deelden toen zelfs mee in de “Rum Tod”. Dat was een glaasje rum van een bepaalde afmeting wat elke dag aan de bemanning werd verstrekt. Dit dateerde nog uit de tijd van Nelson.

We vlogen onze oefeningen van daar voorspoedig en vakkundig. Des avonds was het op Lossie Mouth ook goed vertoeven. Het verblijf van de KPL’s (PO’s) was zeer gezellig. Het was een oud gebouwtje, zelfs voorzien van een open haard. Er was voldoende Cokes aanwezig om deze aan de praat te houden en ongekend te genieten. Iets anders dan de D-Barakken toen der tijd op MVKV.

Er was ook een Amerikaanse AEW Super Connie aanwezig. Een bemanningslid van hen was ook elke avond present. Het was een indrukwekkend grote donkere Amerikaan. Hij vertelde dat hij volbloed Apache was. Hij dronk iets meer dan gemiddeld whisky. Toen wij hem onze jenever presenteerden vond hij dit lekker maar een beetje slap. Het viel echter anders dan hij had verwacht. Na enkele glazen kreeg hij een zeer wazige blik in zijn ogen. Hij kwam in een soort van trance. Hij sprak: “The wind is blowing, the wind is blowing”. Hierna pakte hij enkele rood gloeiende kolen uit het vuur, hield ze een tijdje in zijn handen en gooide ze terug. Geen blaartje te zien. Dit alles paste in de sfeer van ons verblijfje.

Gezien het tijdstip moesten we toch ten bedden om ’s morgens weer  fit aan de slag te kunnen. Onze slaapverblijven waren in mooie flats ondergebracht. Deze konden wij, vanwege de soms slechte weersomstandigheden, via overdekte gangen bereiken. Twee wat oudere collega’s, Naut Pasman en Eus van der Broek, vonden het nodig om mij de doorgang lastig te maken. Zij gooiden steeds elke schut deur voor mij dicht. Op een gegeven moment zette ik daar mijn voet tussen gevolgd door het geluid van een brekende tak, tevens gevolgd door grote pijn. Ik zei dat ik waarschijnlijk mijn been had gebroken. Om dit te controleren brachten zij hun EHBO opleiding in praktijk door mijn voet in zowel bakboord, stuurboord en verticaal in uiterste stand te brengen. Dit ging door de pijngrens en ik legde bijna het loodje. Mijn enkel zwol met grote spoed op, wat zij uiteindelijk doorkregen.

Naut pakte de dichtst bij zijnde telefoon en belde het nood nummer. Zeer snel daar na vloog de deur open en stonden twee brandweer mannen in vol ornaat in de gang. Deze mannen namen de regie over en toen ging het snel. Ik werd naar de ziekenboeg gebracht. Er was geen dokter alleen een zieken pa. Hij regelde echter een soort lange houten bak gevuld met watten waar mijn been in kon rusten. Ook gaf hij mij wat stevige pijnstillers. De pijn verdween en ik viel in diepe slaap. Ik was de enige in de ziekenboeg.

De volgende dag werd ik na een voortreffelijke nachtrust wakker. Het was stil in de ziekenboeg. Om een uur of negen passeerde er een zieken pa die mij totaal niet in de gaten had., bij het over geven van de wacht was het voorval van de vorige avond waarschijnlijk niet ter sprake gekomen. Toen hij ter hoogte van mijn bed was zei ik: “Good morning”! Hij bleef nog net niet dood en gaf een schreeuw van schrik.

Hierna begon alles te lopen en binnen korte tijd lag ik in het hospitaal in Inverness. Daar werd ik onder narcose geholpen omdat bleek dat mijn been op twee plaatsen gebroken was en niet goed meer op zijn plaats zat.

Toen ik snel na de narcose wakker werd voelde ik me honderd procentjes. Na oriëntatie bleek ik op een zaal van ongeveer 30 man te liggen. Alles kon. Ook roken in bed. Ik stak direct een zwaar sjekkie op wat heerlijk smaakte. Aan de overkant van mij lag een jonge man die met een motorfiets was gecrashed en zwaar over zijn nek lag te gaan van de narcose. Raar ziekenhuis.

De arts kwam aan mijn bed en zei dat ik nog 6 weken moest blijven. Ik dacht het niet zei ik want het squadron gaat morgen naar Nederland. Na enig streng overleg kreeg ik les krukken lopen en moest een papier tekenen voor eigen risico. De volgende dag ging het squadron naar huis. Ook was er een Friendship. Het was goed geregeld. Ik ging mee met de F27 die op de kop van de baan stond te wachten toen ik door de ambulance werd afgeleverd. Tks, Cdt Kopp.