Toon van Dun vlieger MLD deel 10

Ik heb er een tijd over nagedacht om het volgende verhaal te schrijven. Door sommigen werd ik benaderd of ik iets van deze crash wist. Het is lang geleden, maar het toeval hielp mij een beetje.
Ik kwam er namelijk achter dat ik reeds sinds lange tijd op een woonboot woon waar dit zich zeer dichtbij heeft afgespeeld.
Ik ging eens informeren bij mensen in de buurt of zij zich er nog iets van konden herinneren. Samen met de verhalen van hen en wat ik al wist, had ik al een aardig idee wat er was gebeurd. Maar gezien de trieste afloop van het geheel zag ik er toch van af om het op papier te zetten. Ik dacht dan aan de nabestaanden van de omgekomen vlieger Adjudant Onderofficier Vlieger (AOOV) A.J. (Toon ) van Dun.

Via Facebook ben ik onlangs toevallig met de zoon van Toon, genaamd Ton van Dun, in contact gekomen. Na dit contact hebben wij bij mij thuis een ontmoeting gehad. Hij heeft mij voorzien van veel documenten en liet mij weten dat hij er geen bezwaar tegen had dat ik een verhaal zou plaatsen. De gegevens van Ton bevatten veel technische informatie, alsmede die van diverse getuigen. Ik begeef me echter niet op het gebied van de techniek, de vlieg omstandigheden en mogelijke oorzaak van het ongeluk. Daar voor mis ik de nodige kennis.
Berichten uit de media van die tijd hebben velen al gelezen en plaats ik, omdat zij misschien meer duidelijkheid verschaffen, daarom wel.

HET VERHAAL

Op 4 mei 1964 begon een drie koppige bemanning aan een oefenvlucht met de Augusta Bell 223. De bemanning bestond uit de vlieger/leerling LTZ1 van Vlijmen, vlieger/instructeur AOOV van Dun en boordwerktuigkundige (mecano) Vliegtuigmaker 1 Steman.
LTZ van Vlijmen beschikte over ruime ervaring op vaste vleugel vliegtuigen. Het was zijn vierde famliarisatie vlucht op dit type.
AOOV van Dun had, hij vloog vanaf 1943, uiteraard ook heel veel ervaring op andere types.
Ook vloog hij al geruime tijd op de Bell.
De vliegervaring van Toon Steman in die tijd weet ik niet. Hij is later een goede vriend van mij geworden en wij hebben samen zelfs nog op de Orion gevlogen. Hij heeft over dit voorval nooit met mij gesproken.

DE VLUCHT

Zij vlogen diverse circuits en autorotaties in verschillende configuraties. Tijdens de laatste nadering viel na een vreemd geluid en een doffe plof het vermogen van de motor weg. Ze zaten toen op drie á vierhonderd voet. Ze hadden een noordelijke koers, ongeveer gelijk aan de Oude Rijn waaraan zij soms evenwijdig en soms boven vlogen, met een snelheid van 70 knopen. De besturing werd direct over genomen door de instructeur. Deze wist een aantal huizen, een vuilnisbelt en enkele woonboten te ontwijken. Maar hij kon, misschien ook mede daardoor, niet voorkomen dat de helikopter met hoge daalsnelheid het water raakte en werd vernield.

Men vermoedde dat zowel de lage snelheid als de geringe hoogte een geslaagde autorotatie (noodlanding) onmogelijk hadden gemaakt. Ook verklaarden meerdere ooggetuigen dat de hoofd rotor zeer langzaam draaide of zelfs nagenoeg stil stond. Eveneens is de toen harde wind misschien van invloed geweest.

De impact werd door verschillende mensen waargenomen. Enkelen van hen kwamen direct in actie. Drie bewoners van de woonboten sprongen te water om de mannen te helpen. Zij wisten van Vlijmen en Steman te redden. Helaas kwam Toon van Dun om het leven. Ik plaats hier na, zoals ik al zei, enkele verhalen van de redders uit de media van toen. Ook voeg ik wat foto’s toe.

De bewuste Augusta Bell

Wrakstukken 223

Het verhaal van de redders

De Goedheilig man op zee show

Het was Sinterklaas avond 1967. Nederland was voor een groot gedeelte in blijde, soms bange, verwachting van deze strenge doch rechtvaardige bejaarde persoon.
Zo ook op een kleine grijze stip ergens op de onmetelijke oceaan. Na inzoomen bleek het ons trotse vliegkamp schip “Karel Doorman” te zijn. Zij was het vlaggeschip van het toenmalige Smaldeel V (5).

Aangezien de Sint zich per edele viervoeter verplaatste, kon hij zo ver uit de kust dus niet physiek aan boord aanwezig zijn. Als oplossing had de commandant een hulp Sint in het leven geroepen. Dit was een bijna bij ieder bekende onder officier met een lange achternaam.

Zijn binnenkomst bij ons korporaals verblijf was bijzonder. Hij maakte een klein sierlijk sprongetje over de post van de waterdichte deur, waardoor hij ongewild de bovenkant van deze post probeerde weg te koppen. Hierbij ging hij even gestrekt. Hij werd weer recht gezet en in de ziekenboeg werd een zwaluw staart geplaatst.

Hierna ging de ceremonie, na een biertje, weer de geplande gang. De Sint had een boek met stoute jongens. Ik was er tot mijn grote verbazing ook bij. Ik nam plaats op zijn schoot. Hij sprak mij vermanend toe en ik beloofde hem beterschap. Als beloning kreeg ik een papieren pakje zware Van Nelle met vloei, maar ook een 45 toeren plaatje (EP) met daarop de Karel Doorman mars gespeeld door de Marinierskapel der Koninklijke Marine.

Eerst moest ik echter een liedje voor hem zingen. Ik koos voor Sinterklaas kapoentje. Dit omdat het kort maar krachtig was. Ik had toen trouwens geen idee wat “kapoentje” betekende. Mijn EP’tje is trouwens jammer genoeg bij een van mijn verhuizingen verloren gegaan.

Het was tijdens een Karel Doorman reünie waar de muziek werd verzorgd door de zelfde kapel. Uiteraard met een andere bezetting. Tijdens een pauze liep ik naar de dirigent en vroeg of zij de Karel Doormars wilden spelen.Tot mijn verbazing kende hij die niet. Wel vertelde hij even later dat een keer bij een grote brand, al hun muziek die op papier stond, verloren was gegaan.

Dit alles kwam pas weer bij op borrelen. Ik vond de mars snel terug op You tube. Ik ben echter een digibeet, dus ik kreeg hem niet op FB. Een collega en goede vriend van mij heeft het wel voor elkaar gekregen. Ik ga hem nu, dank zij hem, plaatsen.

sint

(Klik Sint aan voor video)

NO GUTS NO GLORY (Zonder geluk vaart niemand wel)

Het was januari 1972. We waren met Squadron 320 op trip naar BAN (Base Aeronautic Naval) Lann Bihoué in Frankrijk om precies te zijn Bretagne nabij Lorient.. Vandaar vlogen wij oefeningen op de oceaan met de SP2H. (Neptune)
Ik was VOB 1 (eerste sensor operator) van bemanning Delta. De TACCO (eerste waarnemer) was LTZ1 Tak. We waren voor een nachtelijke oefening gepland.

We waren nog bezig met het controleren van de apparatuur, maar taxieden al vast naar de kop van de baan. De TACCO controleerde de navigatie computer ( ASA-13) alsmede het plotbord. Dit liep wel, maar niet in de goede richting met de door hem ingestelde waarden.
Goede raad was duur, zonder plotbord was het zo goed als onmogelijk een goede oefening te draaien. Ik kende echter een truc die ik had geleerd van een radio radar monteur.

Van veel elektronische apparatuur bevonden zich de black boxen (de eigenlijke apparatuur), in de zogenaamde radar well. Een enge ruimte, onder het flight deck waar op de bemanning zich bevond. De apparatuur die zij daar bedienden waren eigenlijk een soort afstand bedieningen van deze boxen. Deze waren door middel van kabelbomen met elkaar verbonden. Zoals ik al zei het was een zeer nauwe ruimte waar naast het lawaai van de apparatuur je ook twee meter van de uitlaat der motoren zat. Dat alleen op je knieën of hurken.

In de SP2H bevond zich ook een groot circuit breaker panel , waarvan de zekeringen automatisch uitsprongen bij een storing. Deze kon je weer resetten, maar als hij dan nog een keer uit sprong was het over en uit.
Op de boxen zelf in de radar well zaten af en toe ook zekeringen die konden doorbranden. Daar naast was meestal een spare (reserve) geplaatst, zodat je deze jongens kon vervangen.
Veel van de toenmalige boxen bezaten elektronische buizen (lampen). Zeker de radar, de AN/APS 20. Wanneer de zekeringen bij een storing goed waren, kon een ferme klap op de des betreffende boxen soms ook helpen. Wij noemden dat de “Hamer Test”.

Ook de ASA-13 black box bevond zich in de radar well. Buiten de zekeringen bezat deze ook twee tellertjes. Wanneer de waarnemer zijn plottafel testte, begonnen deze tellertjes te lopen.
Bij de ingestelde wind, 150/150, moesten de tellertjes met dezelfde snelheid af lopen. Het nam een redelijk lange tijd voor dat je het verschil kon zien. Met tandwieltjes kon je ze aan passen en met ongeveer de zelfde snelheid laten af nemen. Dan liep het plotbord evenredig in de goede richting, als ik me goed herinner koers 135.
Ik vertelde dit tegen de TACCO. Die zei doe je best maar Jan.

Hij stelde zijn computer en plotbord opnieuw in en ik ging naar beneden. Na enige tijd zag ik dat de tellers niet synchroon liepen. Ik regelde het zo goed als mogelijk bij, liet ze nog even lopen, tot ik bijna zeker wist (hoopte) dat de dit nu wel deden. Te snel of te langzaam wist ik natuurlijk niet.
Ik kroop uit de well en ging in de neustunnel staan. Ik gaf mijn ervaringen door aan de TACCO.
Ik stak dus alleen met mijn bovenlijf boven het flight deck uit. Hij, de TACCO, zat achter het plotbord, dus een stuk boven me. Ik voelde mij een beetje als David en Goliath.

Hij keek me aan. Door de motoren moest hij zich met luidere stem duidelijk maken. Hij schreeuwde: “Weet je zeker dat het goed is? Als dat niet zo is gaan we terug naar het platform.”
Daar stond ik als jong sergeantje.
Ik dacht snel na wat de gevolgen van een “nee” zouden zijn. Terug naar het platform om een monteur te laten kijken of overstappen in een andere kist. We hadden al aardig wat tijd verloren, dus de hele vlucht zou gecancelled kunnen worden. Ook zou ik voortaan misschien minder geloofwaardig zijn.
Ik zei “ja” en hoopte dat het inderdaad alleen die tellertjes waren.
De jets werden opgestart, we draaiden de baan op, kregen toestemming om te starten en dat deden wij dan ook.
We maakten vaart, “Rotate” klonk er in de cockpit. De vlieger trok de neus iets op en we kwamen los. “Climbing power” klonk er. De motoren werden door de mecano (boordwerktuigkundige) op klim vermogen gezet en we klommen naar onze aangewezen hoogte.

Daar aangekomen werden de jets afgezet en de motoren op kruis vermogen afgeregeld.
Ook dat regelde de mecano. Terwijl hij dit deed zag je de vlammen van de uitlaten van oranje naar een betoverend blauw gaan. Ook werden zij synchroon afgeregeld en wanneer dat plaatsvond, ontstond een muziek uit onze grote zuiger motoren die ik nooit, maar dan ook nooit zal vergeten. Heb ik al meer gezegd.

Ik had plaats genomen achter de radar en checkte deze, hij werkte goed.
Ondertussen hield ik met een schuin oog het plotbord in de gaten. Het zag er goed uit.
De sfeer op het flight deck veranderde nu in rustige, bijna serene sfeer. De zachte rode verlichting van de apparatuur en bedienings panelen was daar ook zeker debet aan.
Aangekomen in ons gebied begonnen wij onze oefening, nog net op tijd. Hier kan ik kort over zijn, hij verliep goed. Het plotbord deed ook wat er van hem/haar werd verwacht. Ik was opgelucht.

De luxe zetel van de boord werktuig kundige (Mecano)


V.l.n.r. De Analyser van de bougies, de AQA-1 Sono groep, de AQA-4 Jezebel groep en uiterst rechts een stukje van het plotbord.

Hier het plotbord. Foto bekomen van Rob Calmthout

Flight deck Neptune

Ik zag een foto van Arjan Koning die mij weer deed denken aan eerdere tijden, op de Neptune.
Uiterst links je nog een stukje stukje van de Analyser, waarop je de bougies kon checken. Het kastje met het vierkante scherm is de AQA1. Gebruikt voor pingers en back up voor Julie. Is hier niet in gebruik. Daar naast zie je de AQA-4 jezebel receivers/recorder. Hij wordt bediend door een VOB die volgens mij als eerste klas de dienst is uit gegaan. Hij heette Hans Helder en sprak plat Amsterdams. Rechts naast hem zit de Waarnemer/Tacco LTZ Caspers achter het plot. Het dingetje aan het plafond is een hand lampje met snoer.
Dit geheel vereist natuurlijk een uitleg betreffende de diverse benamingen die hier vallen die voor ons bekend, maar voor anderen onbekend zijn’:
Analyser : Apparaat waar op de ontsteking van alle bougies konden werden gechecked.
AQA-1 : Hierop konden actieve (pingers) als zowel passieve worden gemonitord.
AQA 4 : Hier konden de frequenties van geluiden onder water worden gemonitord.

Knopjes genoeg …

Toertje trainer

Bij Vliegtuig Squadron 320 (VSQ320) en VSQ2, werd bij de komst van de Orion door beide squadrons gebruik gemaakt van dezelfde vliegtuigen. VSQ2 leidde nieuwe bemanningen op, die later verder operationeel werden gemaakt bij VSQ320.
Daar het op de Noordzee slechts zeer beperkt mogelijk was om te oefenen met Russische onderzeeboten en oppervlakte eenheden, werd gebruik gemaakt van zogenaamde Tactische Trainers. In die tijd hadden wij daar in Nederland nog niet de beschikking over, dus maakten wij gebruik van de faciliteiten van de Navy in Amerika.
Zij waren voor ons beschikbaar in Brunswick Maine en Jacksonville Florida.

Na de opleiding bij VSQ2 werden de bemanningen geplaatst op VSQ 320. Daar kwamen zij in de praktijk terecht, onder andere ook bij de operationele vluchten op IJsland. Ook bij VSQ320 ging men echter regelmatig naar de trainer.

Dit verhaal gaat over een zogenaamde training beurt in Jacksonville. Ik was er bij als instructeur voor de akoestische operators. Er waren enkele jonkies bij die ik aan de hand nam, ook tijdens de vrije tijd.
Onze accommodatie was deze keer “On Base “. Andere keren zaten we soms in een hotel.
Wij draaiden onze beurten van ongeveer vier uur, soms ’s morgens, ’s middags of ’s avonds. Na een morgen detail waren we dus voor de rest van de dag vrij.

Op een van die middagen had ik met een paar jongere maten één of twee visbootjes met hengels en spullen gehuurd in de jachthaven van de basis. We hadden echter geen aas.
Geen nood, midden op de rivier lag een garnalen visser. De bootjes waren vrij snel en we stoven er op af. De visser op het bootje zag ons op hem af komen en dacht waarschijnlijk dat hij beroofd zou worden of zo iets, want hij raakte behoorlijk in paniek.
Toen wij bij draaiden kreeg hij door dat hij niets te vrezen had, kwam tot rust en verkocht ons garnalen.

De vangst viel bitter tegen. Na het avond eten probeerden we het nog even vanaf de kant. Dat werkte wel. We vingen diverse mooie rode snappers die we aan een Amerikaan gaven die ook stond te vissen. Hij was er erg blij mee. Hij was echter zeer verbaasd toen een van ons een dikke paling ving en wél inpakte om mee te nemen.

De volgende dag hadden we een middag detail. Na het eten begaven wij ons naar een uitbating net buiten de poort. Het was Happy Hour (twee voor een). Van buiten was het net een oude Duitse bunker, maar binnen hing er best een sfeertje. Je kon er grote glazen bier kopen (pitchers) en er was een soort toneel waar dames dansten met een soort paal. Zij droegen, buiten een klein slipje geen verdere kleiding. Waarschijnlijk hadden zij het erg warm.

Na enige pitchers waren er sommige lieden (niet bij ons) die de danseressen wilden beroeren. Deze werden, zeker na herhaling, met harde hand verwijderd door een soort sheriff.
Wij hadden toen een jonge collega die evenals wij op een stoel vlak bij het toneel zat. Bij hem waren de rollen omgedraaid. Hij had zo’n aantrekkingskracht voor de dames, dat deze om de beurt op zijn schoot wilden zitten. Ik draaide mij ook zo goed mogelijk in de juiste positie echter zonder resultaat.

De volgende dag, operationeel en anders bijgeschoold vertrokken we weer naar Nederland.
Wij maakten een stop op de Azoren. Op de basis was het een beetje zouteloos dus we begaven ons naar het nabij gelegen dorpje. Dat was ook niet echt bruisend.
Daar laafden wij ons aan een soort heerlijke zoete wijn waar je erg vrolijk en losjes van werd.

In het donker begaven wij ons weer richting basis en besloten binnen door te gaan.
Dit was via een soort harde zand weggetjes omgeven door hoge wallen bestaande uit opeen gestapelde stenen . Opeens stuitten wij op een schat van een ezeltje wat moederziel alleen aan een kort touwtje in het donker stond.

Ik knuffelde het beestje en het knuffelde terug. We waren boos om het korte touwtje en besloten, vermoedelijk mede aangespoord door de wijn, haar mee te nemen naar Nederland. Ik nam plaats op haar. Zij spreidde echter haar voor en achter benen en bleef als een geschoorde heipaal staan. Ik sprak te weinig Portugees om haar te bepraten dus ik steeg weer af. Zonder haar vervolgden wij onze weg en gingen te bedden op de basis.

De volgende dag vervolgden wij onze weg naar Nederland. Wij (zij) hadden weer, zonder stress , veel geleerd.

Avanti, pronnto, navori

Jerry en de Toyota

Het was begin zeventig. Joep Weijers was van plan om met zijn echtgenote een bezoek aan een bioscoop in de Steenstraat te Leiden te brengen. Omdat het een populaire film was, ging hij ruim van te voren een kaartje bestellen, maar hij moest toch in de rij staan.
Terwijl hij daar zo stond te wachten, werd hij benaderd door een zo te zien nette man.
Deze sprak hem aan en toonde hem twee prachtige horloges. Hij vroeg er fl. 250,- voor. Voor die tijd een hoog bedrag. Hij zei daar bij dat Joep in de nabij gelegen horloge winkel in de etalage de echte prijs kon zien, die vele malen hoger was.

Zonder dat de man het wist raakte hij een gevoelige snaar bij Joep. Joep dacht vaker dat hij een slimme deal kon maken. Hij had niet zo veel geld bij zich, maar maakte een afspraak met de man dat hij hem zou betalen na dat hij het geld, of toen der tijd een post cheque, thuis had op gehaald. Aldus geschiedde en Joep ging met zijn echtgenote naar de film.

De volgende dag ging hij naar de juwelier om de horloges te laten controleren. Deze had al snel gezien dat Joep de komma van zijn geld een plaats naar links had kunnen plaatsen.
Hij was genaaid. Tot zover de deal van de dag.

Joep en ik hebben vier maal samen een term met de Neptune naar Curaçao gemaakt. zo ook vlak na de vorige gebeurtenis. Het was toen de gewoonte dat in Curaçao de bemanningen die aankwamen, auto’s voor eigen vervoer over namen van de bemanningen die naar Nederland gingen. Deze auto’s waren veelal eigendom van Jerry. Een Curaçaoenaar met enorme afmetingen maar met een klein hartje. Hij was werkzaam op de flight en in de hangaar.

Zijn auto’s waren verre van nieuw en hadden allemaal zo hun eigen bijzonderheden. Zo was er onder andere een donker groene Toyota Corolla, met een draaicirkel over links die twee maal zo groot was als over rechts. Je moest er even rekening houden met keren.
Soms werd al vanuit Nederland de onderlinge verkoop geregeld. Ook deze maal hadden Joep en ik een afspraak. Deze keer met de korporaal zieken pa op Hato. Tijdens de onderhandelingen hadden Joep en ik al geen goed gevoel over deze deal. We vroegen : het is toch niet die bepaalde Toyota? Hij verzekerde ons dat dit niet het geval was.

Na een voorspoedige ferry kwamen we aan in Curaçao. Joep en ik hadden daar een vast oppas huis. We waren dus na een drankje in het vliegdienst gebouw snel klaar om ons daar naar toe te begeven. We namen de autosleutel over van de zieken pa en betaalden hem. Tot onze grote verbazing en ergernis was het toch die groene Toyota. Hij verzekerde ons echter dat hij helemaal was gereviseerd en in prima staat was.

We gingen snel naar huis en begroetten met veel plezier en liefde onze trouwe hond Tarzan, die gilde van blijdschap. Die ging weer een fijne tijd tegemoet, dat wist hij. De volgende dag moesten we even naar Punda. We namen de Julianabrug over de Annabaai.
Halverwege het hoogste punt begon de auto al snelheid te verliezen. Dit werd steeds erger.
Op een gegeven moment haalden we de 20 km niet eens. Er ontstond een gevaarlijke situatie. We werden ingehaald, maar er waren ook tegen liggers. Wij gaven vol gas, maar dat had geen enkel effect. De koppeling slipte, maar meer waarschijnlijk gaven de cylinders geen power. We vervloekten de ziekenpa en hoopten dat hij voor onze auto zou verschijnen.
Al had hij ons met deze snelheid lopend makkelijk voor kunnen blijven.

We sukkelden over de top en rolden de brug af. We parkeerden op de eerste de beste plek.
We namen ons voor om met dit lijk geen meter meer te rijden. We gingen naar huis en belden Jerry. Hij kwam ons halen en nam ons mee naar Hato. Daar aangekomen gingen Joep en ik rechtstreeks naar de ziekenboeg. De oplichter zat achter zijn bureau en keek vreemd op toen Joep de deur achter ons op slot draaide.

We vertelden hem dat hij ons in redelijk groot gevaar had gebracht. Kort en bondig lieten wij hem weten dat hij snel met onze centen over de brug moest komen, daar er anders niet genoeg verband middelen in zijn domein aanwezig zouden zijn voor volledig herstel.
Hij schrok erg. Zijn duidelijk aanwezig kleuren schema veranderde van getint naar licht getint.
Hij graaide in een bureau lade en toverde onze centen tevoorschijn. Na nog enkele sneren verlieten wij de ziekenboeg en begaven ons richting Jerry.

Deze stelden wij verantwoordelijk voor de slechte staat van de Toyata en eisten een andere auto. We kregen een oude Peugeot 404 die we al een keer eerder hadden gehad.
Daar kon eigenlijk niets kapot aan gaan, een carrosserie als een tank. De motor was een iets zwakker punt. Dat kwam de volgende dag tot uiting. Toen we naar Hato wilden wilde deze niet starten. We belden Jerry, hij kwam er aan.

Joep kreeg een briljant idee, we zouden hem op de koffie vragen en hij zou de horloges op tafel leggen. Aldus geschiedde. Toen de motor het weer deed kwam Jerry even een bakkie doen. We zeiden niets, maar we zagen zijn ogen onweerstaanbaar aangetrokken worden door de horloges.

Vind je ze mooi, vroeg Joep. Ze zijn te koop. Hij noemde en prijs. Jerry vond die te hoog. Hij vond vooral het heren horloge mooi. Ik heb een voorstel zei Joep. Als wij die vier maanden gratis in die Peugeot mogen rijden, krijg jij dat horloge. Deal.

Jerry was ook niet gek. We hoorden later dat hij in de buurt waar hij woonde 300 lootjes van fl 1.- Antil had verkocht met de kans het horloge te winnen. Er was dus een winnaar. Maar toen deze een keer aan een van de knopjes kwam, gaf het pronkstuk de geest.
Om te voorkomen dat hij een slechte naam, of meer, in de buurt zou krijgen betaalde Jerry alle deelnemers terug.

Hij was echter heel sportief. Hij heeft nooit geld gevraagd voor het gebruik van de Peugeot.
Als hij in de verte op de flight liep, riepen we hem wel eens aan.
“Jerry !!!”. “Ja ????”. We wezen dan op onze pols en riepen: “Hoe laat is het?”.
“STOUTE JONGENS!!!”.

Car check runway 17

Het verhaal over de car-check is kort, maar een van mijn favorieten. Zoals ik al eerder zei, speelden deze verhalen zich soms af in een heel andere tijd dan nu. Tegenwoordig bezitten velen een auto of op zijn minst een scooter/brommer. In de tijd van dit verhaal, niet dus. Ik praat over de tijd van voor 1962, toen ik bij de MLD kwam.

Drie in die tijd onder officieren vliegers hadden samen, ondernemend als ze waren, een tweedehands auto gekocht.
Zij waren nieuwsgierig naar de prestaties en wilden die checken op de startbaan.
Hiermee moest natuurlijk tot op het juiste moment gewacht worden.
Dit deed zich op een gegeven moment voor. Veld gesloten en de meeste mensen naar huis. Dus waarschijnlijk na vast werken. Of tijdens het weekend. Ik vermoed het laatste.

Er werd gekozen voor de korte, baan “17”. Zij lijnden op en het gas pedaal werd diep ingetrapt.
De prestaties voor wat betreft aceleratie en snelheid vielen niet tegen en er werd dan ook tot het uiterste gegaan.
Het moment van snelheid verminderen brak aan. Het rempedaal werd zachtjes beroerd.
Jammer, het had geen enkel effect. Ook vol remmen had geen invloed op de voorwaartse snelheid. Daar relatief kort voor het einde van de baan was begonnen met remmen, werd deze al snel gepasseerd.

Zij kwamen terecht in het stuk grasland tussen het einde van deze baan (kop 35) en de Wassenaarse Wetering. Ook dit kon hun snelheid niet voldoende terugbrengen en zij “ditchten” tenslotte met hun voiture in deze grote boezem met een gemiddelde diepte van een meter, soms meer door de ruim aanwezige modder.

Misschien mede door de veelvuldige oefening “Dingy Drill” bij de MLD, wisten zij gelukkig snel te ontsnappen.
De volgende dag werd door middel van een hefkraan (crashwagen?) de auto geborgen.
Hij was afgeschreven, zeker gezien het feit dat een bollenschuit of ander vaartuig, het dak had voorzien van diverse scherpe deuken met regelmatige tussen afstanden. Hetgeen wees op een scheep schroef.

Waakzaamheid geboden, toen al (1914)

Ik verneem verontrustende berichten over het weder keren van de koude oorlog. Ook in de gebieden rond Europa waar ik en met mij vele collega’s lange tijd aan deel nam.
Het schaduwen, afluisteren, fotograferen en filmen was een van onze hoofd taken.
Ik kan daar vele verhalen over vertellen. Ik heb er ondertussen ook al menige geschreven.

Ik lees ook dat verschillende Nato partners toch weer op de oude voet zijn door gegaan, zij het met nieuw materiaal. Ik heb ondertussen ook wel begrepen dat een Marine Luchtvaart Dienst met voldoende materiaal om aan die taken te voldoen, er bij ons niet in zit.

Bladerend door mijn foto’s kwam ik volgens mij toch nog een mogelijkheid tegen om een, zij het kleine, bijdrage te leveren aan de Nato inspanning.

In 1914 zijn wij toen ook begonnen met een soort gelijk plan. Ik heb de foto’s nog eens goed bekeken en zie toch mogelijkheden.

De vliegtuigen kunnen wij eventueel voor een gunstige prijs laten fabriceren bij James Jansen, nog steeds aktief in de hout-hobby shop op ons voormalig vliegkamp. De camera’s zijn bijna zeker nog te bekomen op de vele rommel markten in ons land.

Waarschijnlijk kunnen wij door middel van mijn vorige plan de Nato voor een gedeelte ontlasten en eventuele toekomstige tegenstanders ontmoedigen.

Het door mij beoordeelde type de Farman 22