Je “flapt” er wel eens wat uit

Vanmiddag met Femke bij het Meer kwam ik twee leuke dames tegen met een Herders hond.
Is uw hondje niet bang van grote honden vroegen zij.
Dat is ze niet, antwoordde ik.
Zo kwam het gesprek op gevaarlijke honden. Als die een maal je hondje te pakken hebben, krijg je de bek niet meer los.
Een van de dames zei: “Ik heb gehoord dat je ze bij de achterpoten moet pakken en over de kop trekken.”
Ik zei: “Ik heb gehoord dat wanneer je een vinger in hun poepertje steekt ze ook direct los laten”.
De andere dame flapte er uit: “Ik denk dat ik dat ook niet prettig zou vinden”.
Het gesprek viel even stil.
De eerste dame zei tegen de andere: : “Nou, jij maakt het helemaal uhhhh ……”.
“Spannend”, maakte ik flappend haar zin af.
Het werd weer even stil.
Bijna schaterlachend gingen wij uit elkaar.

So, Femke ..

Toertje trainer

Bij Vliegtuig Squadron 320 (VSQ320) en VSQ2, werd bij de komst van de Orion door beide squadrons gebruik gemaakt van dezelfde vliegtuigen. VSQ2 leidde nieuwe bemanningen op, die later verder operationeel werden gemaakt bij VSQ320.
Daar het op de Noordzee slechts zeer beperkt mogelijk was om te oefenen met Russische onderzeeboten en oppervlakte eenheden, werd gebruik gemaakt van zogenaamde Tactische Trainers. In die tijd hadden wij daar in Nederland nog niet de beschikking over, dus maakten wij gebruik van de faciliteiten van de Navy in Amerika.
Zij waren voor ons beschikbaar in Brunswick Maine en Jacksonville Florida.

Na de opleiding bij VSQ2 werden de bemanningen geplaatst op VSQ 320. Daar kwamen zij in de praktijk terecht, onder andere ook bij de operationele vluchten op IJsland. Ook bij VSQ320 ging men echter regelmatig naar de trainer.

Dit verhaal gaat over een zogenaamde training beurt in Jacksonville. Ik was er bij als instructeur voor de akoestische operators. Er waren enkele jonkies bij die ik aan de hand nam, ook tijdens de vrije tijd.
Onze accommodatie was deze keer “On Base “. Andere keren zaten we soms in een hotel.
Wij draaiden onze beurten van ongeveer vier uur, soms ’s morgens, ’s middags of ’s avonds. Na een morgen detail waren we dus voor de rest van de dag vrij.

Op een van die middagen had ik met een paar jongere maten één of twee visbootjes met hengels en spullen gehuurd in de jachthaven van de basis. We hadden echter geen aas.
Geen nood, midden op de rivier lag een garnalen visser. De bootjes waren vrij snel en we stoven er op af. De visser op het bootje zag ons op hem af komen en dacht waarschijnlijk dat hij beroofd zou worden of zo iets, want hij raakte behoorlijk in paniek.
Toen wij bij draaiden kreeg hij door dat hij niets te vrezen had, kwam tot rust en verkocht ons garnalen.

De vangst viel bitter tegen. Na het avond eten probeerden we het nog even vanaf de kant. Dat werkte wel. We vingen diverse mooie rode snappers die we aan een Amerikaan gaven die ook stond te vissen. Hij was er erg blij mee. Hij was echter zeer verbaasd toen een van ons een dikke paling ving en wél inpakte om mee te nemen.

De volgende dag hadden we een middag detail. Na het eten begaven wij ons naar een uitbating net buiten de poort. Het was Happy Hour (twee voor een). Van buiten was het net een oude Duitse bunker, maar binnen hing er best een sfeertje. Je kon er grote glazen bier kopen (pitchers) en er was een soort toneel waar dames dansten met een soort paal. Zij droegen, buiten een klein slipje geen verdere kleiding. Waarschijnlijk hadden zij het erg warm.

Na enige pitchers waren er sommige lieden (niet bij ons) die de danseressen wilden beroeren. Deze werden, zeker na herhaling, met harde hand verwijderd door een soort sheriff.
Wij hadden toen een jonge collega die evenals wij op een stoel vlak bij het toneel zat. Bij hem waren de rollen omgedraaid. Hij had zo’n aantrekkingskracht voor de dames, dat deze om de beurt op zijn schoot wilden zitten. Ik draaide mij ook zo goed mogelijk in de juiste positie echter zonder resultaat.

De volgende dag, operationeel en anders bijgeschoold vertrokken we weer naar Nederland.
Wij maakten een stop op de Azoren. Op de basis was het een beetje zouteloos dus we begaven ons naar het nabij gelegen dorpje. Dat was ook niet echt bruisend.
Daar laafden wij ons aan een soort heerlijke zoete wijn waar je erg vrolijk en losjes van werd.

In het donker begaven wij ons weer richting basis en besloten binnen door te gaan.
Dit was via een soort harde zand weggetjes omgeven door hoge wallen bestaande uit opeen gestapelde stenen . Opeens stuitten wij op een schat van een ezeltje wat moederziel alleen aan een kort touwtje in het donker stond.

Ik knuffelde het beestje en het knuffelde terug. We waren boos om het korte touwtje en besloten, vermoedelijk mede aangespoord door de wijn, haar mee te nemen naar Nederland. Ik nam plaats op haar. Zij spreidde echter haar voor en achter benen en bleef als een geschoorde heipaal staan. Ik sprak te weinig Portugees om haar te bepraten dus ik steeg weer af. Zonder haar vervolgden wij onze weg en gingen te bedden op de basis.

De volgende dag vervolgden wij onze weg naar Nederland. Wij (zij) hadden weer, zonder stress , veel geleerd.

Avanti, pronnto, navori

Jerry en de Toyota

Het was begin zeventig. Joep Weijers was van plan om met zijn echtgenote een bezoek aan een bioscoop in de Steenstraat te Leiden te brengen. Omdat het een populaire film was, ging hij ruim van te voren een kaartje bestellen, maar hij moest toch in de rij staan.
Terwijl hij daar zo stond te wachten, werd hij benaderd door een zo te zien nette man.
Deze sprak hem aan en toonde hem twee prachtige horloges. Hij vroeg er fl. 250,- voor. Voor die tijd een hoog bedrag. Hij zei daar bij dat Joep in de nabij gelegen horloge winkel in de etalage de echte prijs kon zien, die vele malen hoger was.

Zonder dat de man het wist raakte hij een gevoelige snaar bij Joep. Joep dacht vaker dat hij een slimme deal kon maken. Hij had niet zo veel geld bij zich, maar maakte een afspraak met de man dat hij hem zou betalen na dat hij het geld, of toen der tijd een post cheque, thuis had op gehaald. Aldus geschiedde en Joep ging met zijn echtgenote naar de film.

De volgende dag ging hij naar de juwelier om de horloges te laten controleren. Deze had al snel gezien dat Joep de komma van zijn geld een plaats naar links had kunnen plaatsen.
Hij was genaaid. Tot zover de deal van de dag.

Joep en ik hebben vier maal samen een term met de Neptune naar Curaçao gemaakt. zo ook vlak na de vorige gebeurtenis. Het was toen de gewoonte dat in Curaçao de bemanningen die aankwamen, auto’s voor eigen vervoer over namen van de bemanningen die naar Nederland gingen. Deze auto’s waren veelal eigendom van Jerry. Een Curaçaoenaar met enorme afmetingen maar met een klein hartje. Hij was werkzaam op de flight en in de hangaar.

Zijn auto’s waren verre van nieuw en hadden allemaal zo hun eigen bijzonderheden. Zo was er onder andere een donker groene Toyota Corolla, met een draaicirkel over links die twee maal zo groot was als over rechts. Je moest er even rekening houden met keren.
Soms werd al vanuit Nederland de onderlinge verkoop geregeld. Ook deze maal hadden Joep en ik een afspraak. Deze keer met de korporaal zieken pa op Hato. Tijdens de onderhandelingen hadden Joep en ik al geen goed gevoel over deze deal. We vroegen : het is toch niet die bepaalde Toyota? Hij verzekerde ons dat dit niet het geval was.

Na een voorspoedige ferry kwamen we aan in Curaçao. Joep en ik hadden daar een vast oppas huis. We waren dus na een drankje in het vliegdienst gebouw snel klaar om ons daar naar toe te begeven. We namen de autosleutel over van de zieken pa en betaalden hem. Tot onze grote verbazing en ergernis was het toch die groene Toyota. Hij verzekerde ons echter dat hij helemaal was gereviseerd en in prima staat was.

We gingen snel naar huis en begroetten met veel plezier en liefde onze trouwe hond Tarzan, die gilde van blijdschap. Die ging weer een fijne tijd tegemoet, dat wist hij. De volgende dag moesten we even naar Punda. We namen de Julianabrug over de Annabaai.
Halverwege het hoogste punt begon de auto al snelheid te verliezen. Dit werd steeds erger.
Op een gegeven moment haalden we de 20 km niet eens. Er ontstond een gevaarlijke situatie. We werden ingehaald, maar er waren ook tegen liggers. Wij gaven vol gas, maar dat had geen enkel effect. De koppeling slipte, maar meer waarschijnlijk gaven de cylinders geen power. We vervloekten de ziekenpa en hoopten dat hij voor onze auto zou verschijnen.
Al had hij ons met deze snelheid lopend makkelijk voor kunnen blijven.

We sukkelden over de top en rolden de brug af. We parkeerden op de eerste de beste plek.
We namen ons voor om met dit lijk geen meter meer te rijden. We gingen naar huis en belden Jerry. Hij kwam ons halen en nam ons mee naar Hato. Daar aangekomen gingen Joep en ik rechtstreeks naar de ziekenboeg. De oplichter zat achter zijn bureau en keek vreemd op toen Joep de deur achter ons op slot draaide.

We vertelden hem dat hij ons in redelijk groot gevaar had gebracht. Kort en bondig lieten wij hem weten dat hij snel met onze centen over de brug moest komen, daar er anders niet genoeg verband middelen in zijn domein aanwezig zouden zijn voor volledig herstel.
Hij schrok erg. Zijn duidelijk aanwezig kleuren schema veranderde van getint naar licht getint.
Hij graaide in een bureau lade en toverde onze centen tevoorschijn. Na nog enkele sneren verlieten wij de ziekenboeg en begaven ons richting Jerry.

Deze stelden wij verantwoordelijk voor de slechte staat van de Toyata en eisten een andere auto. We kregen een oude Peugeot 404 die we al een keer eerder hadden gehad.
Daar kon eigenlijk niets kapot aan gaan, een carrosserie als een tank. De motor was een iets zwakker punt. Dat kwam de volgende dag tot uiting. Toen we naar Hato wilden wilde deze niet starten. We belden Jerry, hij kwam er aan.

Joep kreeg een briljant idee, we zouden hem op de koffie vragen en hij zou de horloges op tafel leggen. Aldus geschiedde. Toen de motor het weer deed kwam Jerry even een bakkie doen. We zeiden niets, maar we zagen zijn ogen onweerstaanbaar aangetrokken worden door de horloges.

Vind je ze mooi, vroeg Joep. Ze zijn te koop. Hij noemde en prijs. Jerry vond die te hoog. Hij vond vooral het heren horloge mooi. Ik heb een voorstel zei Joep. Als wij die vier maanden gratis in die Peugeot mogen rijden, krijg jij dat horloge. Deal.

Jerry was ook niet gek. We hoorden later dat hij in de buurt waar hij woonde 300 lootjes van fl 1.- Antil had verkocht met de kans het horloge te winnen. Er was dus een winnaar. Maar toen deze een keer aan een van de knopjes kwam, gaf het pronkstuk de geest.
Om te voorkomen dat hij een slechte naam, of meer, in de buurt zou krijgen betaalde Jerry alle deelnemers terug.

Hij was echter heel sportief. Hij heeft nooit geld gevraagd voor het gebruik van de Peugeot.
Als hij in de verte op de flight liep, riepen we hem wel eens aan.
“Jerry !!!”. “Ja ????”. We wezen dan op onze pols en riepen: “Hoe laat is het?”.
“STOUTE JONGENS!!!”.

Eenzaamheid

Ik had sinds ongeveer een half jaar last van mijn rechteroog. Ik was daarvoor van de week in het LUMC voor een check.
Ik zat in de wachtkamer, een beetje aan de zijkant, toen er een meneer schuin tegenover mij kwam zitten. Hij had net een bakkie genomen.
Ik nam hem op en dacht te zien dat hij het niet breed had. Hij had een soort ribfluwelen pak aan, waarvan door de tand des tijds de originele kleur niet meer was vast te stellen. Hij had een rood witte wandelstok. Hij zat denk ik verlegen om een praatje. Nou zat ik daar niet echt op te wachten in een volle wachtkamer, maar van hem kon ik het op een of andere manier hebben. Hij begon:

“Als u een bakkie koffie wilt hebben, kunt u dat pakken daar achterin”. Hij wees naar de andere kant van de grote wacht kamer.
“Dank u”. Ik ging er een pakken en nam me voor om ergens anders plaats te nemen. Toen ik mijn bakkie had, bedacht ik me. Ik zag het als een soort verraad. Op de weg terug glimlachten sommige mensen naar me. Ik zag aan hun glimlach dat zij blij waren dat zij daar niet zaten. Misschien verkeerd gedacht van mij, maar toch. Ik ging weer naast hem zitten.

“Ik moet straks weer terug naar huis. Eerst nog een bakkie want ik moet nog even”.
“Waar woont u dan?”.
“In Katwijk, daar kom je niet gauw tussen”.
“Waar in Katwijk?”
“In een aanleunwoning tegenover de Brittenburg. Toen ik daar pas woonde, ging ik langs bij de buren. Zij deden de deur een beetje open en vroegen wat ik kwam doen. Ik zei dat ik de nieuwe buurman was en me even kwam voorstellen. Sommigen gooiden de deur snel dicht”.
“Ik kon wel in de Rijn springen”.

“Wat heeft u met uw ogen?”
“Ik woonde alleen in een fijn buurtje in Leiden. Op een dag keek ik naar de televisie en zag opeens alleen maar vlammende kleuren. Ik ben naar het ziekenhuis gebracht, ik zag weinig meer. Ze hebben nu pas een hoornvlies getransplanteerd en ik kan nu aardig goed uit dat oog kijken. Maar omdat ik toen niets meer kon, werd ik in die aanleunwoning geplaatst”.

“Woont u alleen?”
“Ja”.
“Geen familie?”
“Nee, niemand. Ik heb ook longkanker. Een tijd terug kreeg ik helemaal geen lucht meer. Ik werd drie weken opgenomen in het ziekenhuis. Ik had een hondje het was al oud en een beetje ziek. Dat hebben ze toen in een asiel geplaatst. Toen ik dat hoorde konden ze me bijna niet houden. Toen ik thuis kwam het hondje op mij af met zijn speeltje. Likte me en viel dood neer. Zij had op mij gewacht”.
“Ik kon wel in de Rijn springen”.

“Heeft u nu een ander hondje?”.
“Ja, gelukkig wel. Een Maltezer Leeuwtje”.
“Kunt u die zelf uitlaten?”
“Ja, dat is het enige wat ik heb. Als er iets met haar gebeurt, zal ik me geen raad weten”.
“Ik zal in de Rijn springen”.

Ik werd weg geroepen. Toen ik terug kwam, was zijn stoel leeg.

Car check runway 17

Het verhaal over de car-check is kort, maar een van mijn favorieten. Zoals ik al eerder zei, speelden deze verhalen zich soms af in een heel andere tijd dan nu. Tegenwoordig bezitten velen een auto of op zijn minst een scooter/brommer. In de tijd van dit verhaal, niet dus. Ik praat over de tijd van voor 1962, toen ik bij de MLD kwam.

Drie in die tijd onder officieren vliegers hadden samen, ondernemend als ze waren, een tweedehands auto gekocht.
Zij waren nieuwsgierig naar de prestaties en wilden die checken op de startbaan.
Hiermee moest natuurlijk tot op het juiste moment gewacht worden.
Dit deed zich op een gegeven moment voor. Veld gesloten en de meeste mensen naar huis. Dus waarschijnlijk na vast werken. Of tijdens het weekend. Ik vermoed het laatste.

Er werd gekozen voor de korte, baan “17”. Zij lijnden op en het gas pedaal werd diep ingetrapt.
De prestaties voor wat betreft aceleratie en snelheid vielen niet tegen en er werd dan ook tot het uiterste gegaan.
Het moment van snelheid verminderen brak aan. Het rempedaal werd zachtjes beroerd.
Jammer, het had geen enkel effect. Ook vol remmen had geen invloed op de voorwaartse snelheid. Daar relatief kort voor het einde van de baan was begonnen met remmen, werd deze al snel gepasseerd.

Zij kwamen terecht in het stuk grasland tussen het einde van deze baan (kop 35) en de Wassenaarse Wetering. Ook dit kon hun snelheid niet voldoende terugbrengen en zij “ditchten” tenslotte met hun voiture in deze grote boezem met een gemiddelde diepte van een meter, soms meer door de ruim aanwezige modder.

Misschien mede door de veelvuldige oefening “Dingy Drill” bij de MLD, wisten zij gelukkig snel te ontsnappen.
De volgende dag werd door middel van een hefkraan (crashwagen?) de auto geborgen.
Hij was afgeschreven, zeker gezien het feit dat een bollenschuit of ander vaartuig, het dak had voorzien van diverse scherpe deuken met regelmatige tussen afstanden. Hetgeen wees op een scheep schroef.

Waakzaamheid geboden, toen al (1914)

Ik verneem verontrustende berichten over het weder keren van de koude oorlog. Ook in de gebieden rond Europa waar ik en met mij vele collega’s lange tijd aan deel nam.
Het schaduwen, afluisteren, fotograferen en filmen was een van onze hoofd taken.
Ik kan daar vele verhalen over vertellen. Ik heb er ondertussen ook al menige geschreven.

Ik lees ook dat verschillende Nato partners toch weer op de oude voet zijn door gegaan, zij het met nieuw materiaal. Ik heb ondertussen ook wel begrepen dat een Marine Luchtvaart Dienst met voldoende materiaal om aan die taken te voldoen, er bij ons niet in zit.

Bladerend door mijn foto’s kwam ik volgens mij toch nog een mogelijkheid tegen om een, zij het kleine, bijdrage te leveren aan de Nato inspanning.

In 1914 zijn wij toen ook begonnen met een soort gelijk plan. Ik heb de foto’s nog eens goed bekeken en zie toch mogelijkheden.

De vliegtuigen kunnen wij eventueel voor een gunstige prijs laten fabriceren bij James Jansen, nog steeds aktief in de hout-hobby shop op ons voormalig vliegkamp. De camera’s zijn bijna zeker nog te bekomen op de vele rommel markten in ons land.

Waarschijnlijk kunnen wij door middel van mijn vorige plan de Nato voor een gedeelte ontlasten en eventuele toekomstige tegenstanders ontmoedigen.

Het door mij beoordeelde type de Farman 22

Jan Klaaszoon. jr

Een unieke combinatie van geluid en geur.

In 1973 werd ik voor een vaarperiode van ongeveer anderhalf jaar geplaatst op Hr. Ms. Utrecht een prachtige B-jager. Dit omdat als ik vlieg medisch afgekeurd zou worden, geruisloos over kon gaan naar een plaatsing bij de varende Marine.
Waarschijnlijk omdat men in Den Haag dacht dat wij als MLD’ers altijd bij moeders op de bank zaten, plaatsten zij mij op dit schip. Het ging namelijk als station schip naar de West.

Daar had ik het echter spinnend naar mijn zin en het werk deed ik ook met plezier.
Ik was Chef Elektronische Oorlog Voering (CEOV). Daar er toen in de West weinig elektronische oorlogvoering plaats vond, had ik ook andere bij komende taken.
Een daarvan was het bij ceremoniële activiteiten aanwezig te zijn op de brug voor hand en spandiensten, onder andere aan de seiners. Ook had ik de niet te onderschatten taak om de microfoon van de scheepsomroep voor de uitlaat van de trompet van de hoorn blazer te houden.
Dit dus wanneer deze ceremonies gepaard gingen met hoornsignalen, opdat iedereen aan boord of in de nabijheid daar van, de progressie van het evenement kon volgen en de daar bij passende houding kon aan nemen.

Deze hoornblazer, was een in de voetsporen van Jan Klaaszoon uit het leger van de Prins getreden trompettist. Het was een nautische medewerker met de rang van matroos der eerste klasse.
Onze samenwerking was goed, doch er waren soms toch wel enkele omstandigheden, die de uitvoering van onze taak, zij het licht, beïnvloedden.

Daar de temperatuur in de West aanzienlijk hoger is dan hier in Europa kun je ervan uitgaan dat de behoefte aan dorstlessende middelen evenredig toeneemt. Zo ook natuurlijk bij mijn trompetter.
Nu waren er uiteraard ook verschillende vloeistoffen welke deze lessing bewerkstelligden.
Het voor- of nadeel, hoe je het ook wilt noemen, was dat zij alcohol konden bevatten. Met de woorden van nummer 14 te spreken: “Elk nadeel heeft zijn voordeel”.

Het gebeurde soms bij een ceremonie dat bij de eerste klank uit de trompet mijn reuk orgaan hetzelfde waarnam als bij het aanslaan van een vat bier. Ik keek hem dan recht langs het instrument in de soms wat waterige ogen. Hierdoor werd hij denk ik onzeker.

Er veranderde iets in zijn blik maar ook in zijn toonvastheid. Zijn prachtige tonen gingen daarna soms gepaard met uitschieters in een heel andere octaaf. Het afwenden van mijn blik bracht jammer genoeg ook geen merkbare verbetering te weeg.

Inwendig moest ik er erg om lachen, ik denk meerderen. Ik heb nooit vernomen dat er disciplinaire maatregelen tegen hem zijn genomen vanwege zijn soms aanwezige toon-onvastheid. Althans niet tijdens onze fantastische term.

Schipper Benedenschip

Het door mij en vele anderen zo geliefde vliegkampschip Karel Doorman (R81) was zo gebouwd, dat het volgens mij in principe zeer moeilijk tot bijna onmogelijk zou zijn, om haar door middel van geweld tot zinken te brengen.
Zij was namelijk met vele waterdichte compartimenten gebouwd. De grootste en meest bekende waren de moten. Het schip was in de lengte richting verdeeld in 6 delen, moot 1, aan de voorkant t/m moot 6, uiteraard aan de achterkant.
Deze moten waren weer onder verdeeld in diverse compartimenten logisch genaamd, of genummerd. Het vereiste echter wel enig inzicht om de uiteindelijke positie van het genoemde compartiment te vinden. Het duurde minstens veertien dagen voor dat je de weg enigszins kon vinden in dit labyrint. De nummers gaven hier bij geen enkele steun. Het was
alleen maar stomweg de weg onthouden. Het cafetaria (eetzaal) en het Korporaals verblijf (met bar) werden normaal als eersten snel gevonden.

Zo sliep ik met de ongegradueerden en korporaals van Vliegtuig Squadron 4 in het verblijf 1.G.10.82. Dit was dus moot 1, dek G, stuurboord (10), de 82 heb ik nooit begrepen. Misschien was dat het aantal slaap plaatsen, want wij sliepen met velen in een zeer kleine ruimte in stapelbedjes van drie of vier hoog.
De verblijven van de diverse rangen, buiten die van ons, waren verdeeld over het gehele schip. Ik kan me niet herinneren dat daar enige logica in zat. Behalve moot 6, daar verbleven de officieren.

.
Onderdeks op het schip was een zogenaamde “schipper beneden schip”. Hij was verantwoordelijk voor de discipline en netheid in de verblijven. Daarnaast was het ook zijn taak om iedereen op tijd uit zijn bedje te krijgen.
Tijdens mijn plaatsing met VSQ4 op de Doorman was er een schipper beneden schip geplaatst die wij er van verdachten dat hij niet dweepte met de MLD.
’s Morgens bij het opstaan en ’s middags na middagrust kwam hij precies op tijd ons verblijf binnen en begon zeer irritant op een soort scheidsrechter fluitje te blazen. Tevens sloeg hij met een stuk hout tegen de ijzeren bedden. Hij had volgens mij zo als tamboer en pijper bij het Korps gekund. Dit begeleid met uitroepen, die mij bevestigden dat hij niet echt pro MLD was. Na 5 minuten kwam hij terug en als je nog lag was je het penis. Hij had een soort notitieboekje en vroeg: “Hoe heet je”?. Dan was dat definitief het einde van je dromen.
Als hij er een paar gehad had was je wel heel stom als je bleef liggen ook als je buiten het zicht van hem was.

Op een dag kwam hij weer na middagrust met zijn ergerlijke fluitje. Een bekende en zeer gespierde vliegtuigmaker die hij benaderde, was Kees Prins (C.B. Prainz). Hij vroeg aan hem: “Hoe heet je”? Waarop Kees, hij lag in het bovenste bedje, hem imiteerde, strak aan keek en toe brulde: “HOE HEET JE????!!!!!!”.
De schipper schrok, trok even wit weg, maar Kees stond er toch in, (op rapport).

Februari 1968 lagen we binnen in Las Palmas. Omdat er niet werd gevlogen werd een gedeelte van de korporaals en ongegradueerden van het squadron ingedeeld bij de nautische dienst van het schip om te assisteren bij het onderhoud van ons vliegkampschip. Dit rouleerde per dag.
Op een dag waren Joep Weijers, ik en nog een telegrafist ingedeeld en aangewezen om de omgeving van de VI radar, Vertical Indicator, (ja knikker) van roest te ontdoen. Met deze radar kon de hoogte van doelen gemeten worden.
We werden uitgerust met voor ons ongebruikelijke bikhamers en staalborstels om dit doel te bereiken.

Het was een heerlijk temperatuurtje en we besloten ons te ontdoen van ons sport-witje om de zon de gelegenheid te geven om ons bleke torso iets te doen verkleuren.
Het platform bevond zich minstens 20 meter boven de kade. Op die kade had onze schipper met fluit echter ontdekt dat wij er on militair bloot bij zaten en wilde ons terecht wijzen.
Hij begon uit volle macht op zijn fluit te blazen waarbij hij soms tegelijkertijd bewegingen maakte als zijnde het aantrekken van een hemd.
Hij keek steeds omhoog en blies de longen uit zijn lijf. Wij hadden ondertussen afgesproken hem te negeren.

Na een tijdje gaf hij het op en begaf zich aan boord. Wij waren van die fluitist af. Na een kwartiertje kwam hij echter uitgeput aan op het platform van de VI. Hij rookte schijnbaar veel want hij piepte bijna net zo hard als met fluit. Hij sommeerde ons om onze T-shirts aan te trekken. Wij deden dit zonder morren. Mopperend ging hij naar beneden. Wij dachten er het onze van en genoten verder van de zon en keuvelden onder andere over de voor ons voorheen onbekende prettige afmeting en prijs van de Cuba Libra op dit eiland.

Tacan- Tactical Air Navigation, LW – Luchtwaarschuwing, DA – Doels aanwijzing, ZW – Zee waarschuwing, VI – Vertical information, CCA – Carrier Controlled Approach