Corporals three

(Titel anekdote ontleend aan een film uit mijn jeugd “Sergeants Three” met Frank Sinatra, Dean Martin en Sammy Davis jr.)

De korporaal vlieger Cor Blokzijl, later verdaagd bij de civiele luchtvaart en Han van de Brake gingen een instrument trainingsvlucht (IF) maken met de S-2-A. Han heeft later het agrarisch bedrijf van zijn vader overgenomen, maar is blijven vliegen met een sproeivliegtuig. Ik heb ooit vernomen dat hij tijdens een van die vluchten helaas is omgekomen.
Er moest tijdens deze IF vluchten altijd een uitkijk mee. Ik, ook nog korporaal, werd daar voor aangewezen. Het bleek echter dat ik deze rang het langste van de drie bezat, hier door werd ik onderstreept in het autorisatie boek. Dit hield in dat ik vliegtuigcommandant was.
Na de preflight gingen we airborne. Drie jonge honden met een prachtig vliegtuig met héél veel power.
We deden de benodigde oefeningen voor de IF check en daar na begaven wij ons richting Noordzee.
Daar leefden wij ons uit. We vlogen onder andere op relinghoogte op schepen af, daarna een steile klim gevolgd door een hoge bocht. Hierbij zag ik door mijn raampje de horizon op 90 graden staan. Ik had de indruk van soms iets meer, maar als niet vlieger weet ik niet of dit mogelijk was met de Stoef.
We deden nog meer dingen die ik erg leuk vond, maar die weet ik niet meer precies.
Uiteindelijk maakten we nog een paar touch en go’s en uiteraard een full stop. Heel braaf kijkend stapten we uit. Ik als eerste. Dit natuurlijk omdat ik het dichtst bij het deurtje zat.

Wij zaten nog wat lager. Soms maakte de wind van de propellers wervelingen in het water. Stout!

Het snuffelbroodje

Ongeveer zo’n broodje

Het was tijdens een detachering met de Neptune vanuit Montijo. Een vliegbasis tegenover Lissabon aan de Taag. De vliegtuig commandant was  Luitenant ter zee vlieger der eerste klasse “Ome Kees”van Andel. We hadden een oefening met het smaldeel en waren daar op flinke hoogte, rond 8000 voet, op weg naar toe.

Ik had de MAD (Magnetisch detectie apparaat) in de neus afgeregeld en ging nog even lekker onderuit zitten. Ik was flink verkouden, dus dat kon ik wel gebruiken. Ik was in die tijd misschien een beetje macho, dus niet vliegen met een verkoudheid was ver beneden mijn waardigheid. Hier pluk ik heden ten dage nog steeds de wrange vruchten van. Onder andere wanneer ik me midden in een gesprek met meerdere personen tegelijk bevind.

We hadden, in tegenstelling tot het eten op de basis, geen slechte vliegrantsoenen mee gekregen. Daaronder bevond zich een lekker knapperig broodje belegd met een nogal rijkelijk gekruide “bistek”, een dun, wel iets taai, maar ook lekker stukje rundvlees.

We waren de dag er voor wezen stappen in Lissabon. Ik weet niet of het door het bier of door de enorme gegrilde kip kwam welke ik in de zogenaamde “Blikken buurt” had genuttigd, maar ter hoogte van mijn maag-darm kanaal begon het een beetje onrustig te borrelen. Ook de lagere luchtdruk op onze hoogte kan overdruk in mijn ontlastingssysteem veroorzaakt hebben.

Het onaangename gevoel, soms aangevuld met krampjes verplaatste zich langzaam maar zeker in de richting van de ontsnapping mogelijkheid.
Op een gegeven moment werd de druk zo hoog, dat ik besloot om de overdruk, zij het
gedoseerd te laten ontsnappen. Gedoseerd om een verkeerde diagnose op tijd te kunnen stoppen.

Bij de eerste dosis kreeg ik, ondanks dat ik bijna geen reuk had door mijn verkoudheid, een zeer penetrante geur voor mijn kiezen en ik realiseerde mij dat dit erg moest zijn.
Mijn vermoeden werd bewaarheid door de onrust die ik constateerde bij de rest van de bemanning. Op het flight deck zat Ben van Wordragen achter de ESM (Radar onderscheppingsapparatuur). Hij verkondigde met zijn nogal luide stem over de intercom: “Hallo daar, er zit er een aan zijn grootmoeder te denken”.

“O”, zei Ome Kees, “Ik zit al aan mijn broodje te ruiken”.

Arthuro

Trail van 16 dieptebommen. (Foto Jan Groenbos)

Tijdens de periode dat VSQ320 met 3 Neptunes te Curaçao was gestationeerd, was een van de hoofdtaken,de Opsporing Reddingsdienst (OSRD). Tevens liep je ook de vliegwacht voor eventuele andere calamiteiten, welke operationeel verschillend van aard konden zijn.
Voor het grote aantal dagen dat de wacht werd gelopen, was een soort compensatie regeling bedacht. Hoe dat werkte wil ik u niet mee lastig vallen, het was voor ons zelf al ingewikkeld genoeg.
Het kwam er wel op neer, dat hoe langer je op de “klip” (niet negatief bedoeld, in tegendeel) zat, hoe meer vrije dagen je opbouwde.

De mogelijkheden op Curaçao om je tijdens deze vrije dagen te verpozen waren, zoals bij velen wel van ons bekend  denk ik legio.
Een van die mogelijkheden was “Frommer Beach”. Een hotel met een fraai strandje, zwemvlot en niet te vergeten een gezellige bar. Achter deze bar stond een man waar het dit verhaal een beetje om draait. Hij heette Arthuro, een Curaçaose jonge man.

Een toevallige maar tevens aangename bijkomstigheid was de geregelde aanwezigheid van soms zeer aantrekkelijke dames ( KLM stewardessen), die daar hun stop van enkele dagen doorbrachten. Dit had, zij het onbewust, toch wel enige aantrekkingskracht op ons MLD’ers.

Ook Arthuro veranderde wanneer er enkele van die dames aan de bar verschenen.
Hij gooide dan al zijn charmes op dek. Wanneer het gezellig werd toverde hij zijn “jammerhout” (marine “slang” voor gitaar) tevoorschijn en begon te kwelen.
Ik had de indruk dat hij probeerde, misschien soms met succes, de harten te breken van de dames. Volgens mij was echter het enige wat gevaar liep voor breken het aanwezige glaswerk. Dit vanwege zijn niet al te zuivere “Hoge C”.
Op een dag zaten we weer een keer op Frommer. Onze tweede waarnemer Appie Vuil was een aardig eindje op zee aan het stoeien met een windsurf plank. Op een gegeven moment begon hij al zwaaiend de aandacht te trekken. Wij vonden dat hij zich wel erg uitsloofde voor de dames. Tenslotte kregen wij echter door dat er iets aan de hand moest zijn.

Op Frommer was een flinke  speedboot aanwezig. Deze werd meestal gevaren door
Arthuro. Hij besloot maar eens te gaan kijken wat er met Appie was. Even later keerden zij samen terug met de surfplank op sleeptouw, zeker panne. Het bleek echter dat bij Appie geruime tijd een grote Hamerhaai rond zijn plankje had gecirkeld. Hij was erg onder de indruk.

Er was een dag dat door de op vliegveld Hato aanwezige “Bommen en Granaten”, artillerie mannen, besloten werd om een serie bejaarde dieptebommen te laten doen waar voor ze gemaakt waren, namelijk ontploffen. Dit om te voorkomen dat zij vanwege hun hoge leeftijd onstabiel zouden worden, gelijk de mens.
Er werd bedacht dat dit ook het beste kon plaats vinden op de manier waarvoor ze ontworpen waren. Ze zouden door onze kisten in zee gedropt worden.

Op een dag werd dit onder een drankje besproken aan de bar bij Frommer. Arthuro was een fervent visser. Toen wij vertelden dat bij zo’n ontploffing dode of versufte vissen boven kwamen drijven was hij hevig geïnteresseerd. Er werd een afspraak gemaakt.
De bommen zouden noord van Curacao gedropt worden. Arthuro zou daar met zijn speedboot in de buurt zijn en eventuele buit uit zee opvissen. Zo gezegd zo gedaan.
Er was een vlucht met de voorgaande opdracht airborne en al snel werd Arthuro met zijn boot waargenomen. Na een paar proefruns gingen de explosieven te water. Zij veroorzaakten enige beste explosies.
Arthuro was na een snelle inspectie van de plek, zonder enige vis, met snel kloppend hart en een enigszins licht hoofd met grote snelheid richting huis vertrokken.
Toen wij hem later spraken vertelde hij dat hij erg was geschrokken. Hij had niet gedacht dat die bommetjes zulke grote knallen zouden geven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Raket brandstof in kachel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoals de ouderen onder ons nog herinneren sliepen de on-gegradueerden van de diverse squadrons van Valkenburg in de D-Barakken.
De accommodatie was toen Spartaans. Lange granieten wasbakken met veel kranen, echter met alleen koud water. (In de winter STEENKOUD). Er was dan in die wasplaatsen een klein potkacheltje. Niet om het lekker warm te maken, maar om te voorkomen dat de kranen bevroren. Een temperatuur van enkele graden boven nul bewerkstelligde dit.
In dit verhaal gaat het niet om deze kacheltjes, maar over de grote potkachel die de temperatuur regelde in de slaapzalen.

In die tijd werd deze gestookt met cokes. De hoeveelheid van die brandstof die dagelijks werd verstrekt, was van zo’n klein volume dat wanneer je die snel in de kachel deed, je de temperatuur slechts voor enkele uren aangenaam kon maken.
Er werden diverse dingen bedacht om deze brandstof aan te vullen met middelen weke aanwezig waren en bij verbranding ook de zo nodige warmte gaven. Meestal in de vorm van houten producten die in de directe nabijheid aanwezig waren. Zoals onder andere oude houten kleding kasten van de grondschool.

De cokes zelf was opgeslagen in de buurt van de fotodienst. Om te voorkomen dat deze, onder andere door ons, ontvreemd zou worden, liep daar een uitkijk (soort schildwacht).

De schoorsteen van deze kachel liep over de volle lengte van de slaapzaal en ging aan de tegenover gestelde zijde door het dak. Zodoende zorgde deze, zij het miniem, voor temperaturen boven nul.

Als je ’s morgens wakker werd lag het ijs op je deken, waar je geademd had, dit ook omdat de kachel ’s nachts doofde.
Dit werd niet erg gevonden, lekker onder je deken en knorren maar.

Op de plek waar de kachel stond, een soort zij hok, stond ook een bakstafel. Daar werden veel sterke verhalen en bakken verteld. Wij vonden unaniem dat op deze plek toch wel enige warmte voor ons werd verdiend. De konstabels hadden er iets op gevonden.

De 3 Inch raketten die voor operationeel gebruik door de vliegtuigen afgekeurd werden, haalden zij bij de artillerie uit elkaar. De raket had een vaste brandstof, welke uiteraard licht ontvlambaar was en bij ontbranding zeer hoge temperaturen produceerde. Wanneer deze brandstof beschikbaar was, werd deze, licht gedoseerd in de kachel gedaan. Dit veroorzaakte een hels vuur in dit medium en zorgde voor een zéér aangename warmte, de kachel werd soms bijna doorzichtig.

Deze temperatuur liep soms zo hoog op dat de 15 meter lange schoorsteen voor een deel in plaats van zwart, ook roodgloeiend werd. Een imposant gezicht. En lekker warm.
Eventuele door branding van de schoorsteen of een exploderende kachel werd als risico aanvaard. Een door mij geschetste uitvoering van het bewuste medium heb ik toegevoegd.

De aanranding

stille getuigen

Van dit verhaal weet ik toevallig de juiste datum, omdat het plaats vond tijdens een jaarlijks evenement te Leiden op 3 oktober, deze maal in 1963.
Ik was geplaatst op MVK Valkenburg in de opleiding VOB op de Grondschool. Mijn slaap verblijf en woning als zijnde boord plaatser was D-15, één van de barakken achter het Cafetaria.
Ik had met de inspectie van de sloep bij de wacht met goed gevolg doorlopen en mij per NZH bus naar Leiden begeven.
Daar had ik een heel leuke avond, zeker omdat dit de eerste keer was dat ik dit meemaakte.
Maar aan alles komt een eind, mijn centjes waren bijna op en ik begaf mij richting station om de laatste bus te pakken.
In die tijd bestond het meeste van wat verkocht werd bij de kraampjes uit gerookte paling.
Vlak voor het station passeerde ik zo’n kraam en de verkoper riep mij toe: “Palinkje Jantje?”
Hij noemde mij niet bij naam niet hij mij kende, maar ik was in uniform en toen werden wij vaker zo aangesproken.
“Mijn geld is op”, antwoordde ik. “Maakt niet uit ik heb zat verkocht”, zei hij.
Hij rolde enkele van die lange jongens in een krant en gaf die mij.
Ik bedankte hem hartelijk.
Aangekomen bij het station bleek de laatste bus richting vliegveld al lang vertrokken te zijn.
De meest voor de hand liggende mogelijkheid in die tijd was het tijdelijk gebruik van één van de in aantal ruim aanwezige fietsen. Na gebruik werden zij vaak gestald in de vijver bij “Rombaldo”. Het borstbeeld van de oprichter van de MLD, aanwezig op het Vliegkamp.
Deze dump plaats werd af en toe ontdaan van deze ongewenste vegetatie.
Ik richtte mijn aandacht op het fietsen park, Tot ik werd aangesproken door een meneer op een bromfiets, volgens mij een Kaptein Mobilette.
Hij sprak: “Als je met de bus naar het vliegveld wilt, kun je nog wel even wachten. De laatste is al lang weg. Maar ik woon in Katwijk, je kunt met me mee rijden”. Klasse.
Ik stapte met mijn bos paling achter op, stormbandje om en we vertrokken richting Katwijk.
Ik was toen geheel onbekend in de omgeving, maar ik dacht dat we over een spoorweg overgang kwamen, toen hij stopte. Hij zei “Ik heb koude handen, kun jij een stukje rijden?”
Geen probleem. Hij nam de paling over en ik de besturing van de machine.
Toen we een stukje gereden hadden, voelde ik een hand in een streek waar ik nog nooit was betast door iemand van het zelfde geslacht. Ik schrok en duwde zijn hand weg.
We reden nog even door en naderden Katwijk. Hij begon weer en ik duwde hem ook weer weg. We waren ondertussen aangekomen in Katwijk en hij zei plotseling: “Hier woon ik, hier moet je links af”.
Zonder te aarzelen deed ik dat dan ook. Onze snelheid was echter nog te hoog. We knalden op een stoeprand en werden gelanceerd. We doorboorden een hoge heg en kwamen gedeeltelijk in de achter tuin van een Katwijker terecht. Ik kwam met de schrik vrij.
Ik stapte af en rukte de paling uit de hand van mijn passagier. Deze zat nog steeds stijf van schrik achter op de Mobilette. Ik beet hem nog enkele onvriendelijke woorden toe en verliet de tuin door het tuinhekje.
Ik vervolgde mijn weg via de wacht C2, het paadje achter de C-barakken en de Kampweg naar D-15. Het werd Catalina pad genoemd.
In mijn slaapzaal aldaar, nam ik plaats in een soort zij hok met een kachel, een baks tafel en twee baks banken. Ik ging een palinkje nemen.
Toen ik de krant opende zag ik iets ongewoons. De palingen waren van voren
bij de kop en achter richting staart, dikker dan normaal. In het midden bestonden zij uit een paar vellen en graten die samen geknepen waren.
Dit was hoogst waarschijnlijk het gevolg van het schietgebed van de liftgever toen hij er van overtuigd was dat zijn laatste uur geslagen had.

Aleksandr van Tupolev

TU 95 “Bear” ons wel bekend.

Aleksandr

Bij het bekijken van foto’s van mijn oude computer die ik op een externe harde schijf heb gezet, kwam ik er een tegen van een bijzondere man.
Ik werkte in die tijd bij het Rijksmuseum van Volkenkunde te Leiden. Een van mijn collega’s was Irina, afkomstig uit Moskou.
Op een gegeven moment was haar zus, ook wonend te Moskou, met haar echtgenoot Aleksandr Nikolajevitch bij Irina voor een aantal dagen te logeren.
Ik heb toen met Irina met hen een mooi toertje via Gouda met zijn kaasmarkt en via het riviertje de Vlist naar Schoonhoven gemaakt. Ze vonden het prachtig.
We hebben toen op een bankje aan de Lek wat Russische en Nederlandse dingen gegeten en gedronken. Héél gezellig.
Toen Irina en haar zuster die rivier met die mooi kleine strandjes zagen kwam een bijna onbedwingbare dwang bij hen naar boven om ons naar zo’n strandje te begeven en te gaan zwemmen. Ik had er niet op gerekend om met twee naakte dames in de Lek te poedelen en zag dat niet helemaal zitten. Gelukkig zagen zij er van af. Ik heb trouwens in de meertjes van de duinen bij Katwijk vaker mensen uit het Oostblok spontaan een duik zien nemen. Dat is daar heel normaal zei Irina.
Ik kom even terug op de Aleksandr Nikolajevitch. Hij en zijn vrouw spraken geen woord buiten de Russchishe grens. Irina fungeerde natuurlijk als tolk. Ik informeerde wat hij zoal deed en had gedaan.
Hij vertelde dat hij de bewaking zat in Moskou. Voorheen, tot de ommekeer in Rusland, was hij als vliegtuigkundig ingenieur werkzaam bij Tupolev. Daar werkte hij onder andere ook aan de ons zo bekende TU 95 “Bear”.
Ik vertelde hem over mijn baan bij de MLD en daar door enkele keren naast zo een vliegtuig had gevlogen. Wij fotografeerden dan elkaar en soms zwaaiden wij bij het weg draaien.
Volgens hem had hij vaak vluchten met de Bear gemaakt en bij sommige van deze ook naar Nederlandse Neptunes had gezwaaid.
De wereld is klein.

Avenger upside down

Grumman Avenger

Toen ik bij de MLD kwam was er een Sergeant vlieger waar ik tegen op keek omdat hij voor mij op een bepaalde manier, prachtige verhalen kon vertellen. Dit is er een van.
Hij vloog in die tijd op de Avenger. Na een vlucht kwam hij landen, op MVKValkenburg.
Tijdens de landing kreeg hij motor storing, deze sloeg af, hij concentreerde zich op een landing zonder motor vermogen. Vlak voor de baan pikte de motor weer op. Of dit de oorzaak van de crash is geweest weet ik niet meer te herinneren. De kist kwam door dit alles op zijn kop op de baan terecht.
Toen der tijd was ook nog een detachement van de luchtmacht aanwezig op Valkenburg met Dakota’s. Een luchtmachter was toevallig bezig met het be/ontladen van zo’n Dakota met een flinke hef truck, toen het ongeluk plaats vond.
Deze verliet zijn post en spoedde zich met zijn truck naar de plaats van het ongeval. Hij wist de kist op te tillen en de vlieger kon voorzichtig bevrijd worden. Gelukkig voorzichtig.
Het bleek namelijk dat hij een zware nek blessure had opgelopen. Later kwam ook uit dat hij voor een deel verlamd was.
Hij vertelde mij dat hij alleen zijn handen goed kon gebruiken en daar mee was gaan revalideren door constant in kleine rubber balletjes te knijpen.
Het heeft tijd geduurd, maar uiteindelijk is hij er weer helemaal boven op gekomen en ging weer vliegen.
Ik zei al dat ik hem bewonderde, ik was nog jong, niet alleen door zij verhalen maar ook door de fysieke kracht die hij uitstraalde. Hij was enorm sterk geworden door die oefeningen. Hij demonstreerde dit soms door een stoel tussen zijn tanden te nemen en die zo met zijn nek achterover op te tillen.

Een Delta III met crew 15

Crew 15 XXL te Keflavik

Akoestische concentratie

De Delta III was en is misschien nog steeds , een groot platform onder de zeespiegel in de vorm van een enorme onderzeeboot.
Aan boord bevonden zich zestien ballistische projectielen die elke plaats op aarde konden treffen. Voor alle zekerheid hadden ze op elk projectiel vijf afzonderlijke zeer krachtige kernkoppen geplaatst om het effect aldaar zo groot mogelijk te maken.
Er voeren een aardig aantal van deze jongens rond in de koude oorlog en het was dus nodig dat de positie van hen constant bekend was. Dit om een onverwachte aanval in de kiem te kunnen smoren.
Op een dag kregen wij met bemanning 15, met de Orion, zo een stoute jongen te spotten. Nu was deze vanwege zijn positie, niet ver van IJsland, een soort van vreemde eend in de bijt.
Het contact was misschien een beetje twijfelachtig, maar we werden er toch op af gestuurd.
Ik had twee leerlingen VOB en ook de cockpit en het tactische gedeelte waren goed bezet.
Via de foto na het verhaal zal ik proberen een ieder te benoemen.
We gingen airborne en strooiden ons patroon met sonar boeien. Vanwege de relatief korte afstand tot het vaste land kregen wij vele contacten binnen die we konden relateren aan niet het doel zijnde.
Al met al, het was niet makkelijk, maar dank zij de uiteraard voorteffelijke vakkennis (hum)van onze bemanning wisten wij hem er uit te zeven en te lokalizeren. (Als je jezelf niet kietelt, doet niemand het).
Toen we weer op weg naar huis gingen en nog een keer “On Top” kwamen, zagen wij ver beneden ons een klein oppervlakte contact varen.
Mij hart stond stil, had ik dan een vissersbootje na gezeten? Na bestudering via diverse kijkers werd duidelijk dat de DeltaIII met zijn masten aan de oppervlakte voer. Pfffffffff!!!!!

Hemstiching

Neptune hemstichig

 

Aan boord van de Stoef en de Neptune moest de VOB’er* van alle markten thuis zijn. Dit in tegenstelling van op de Orion, waar de verschillende taken in principe waren opgesplitst in naten droog.
Ik ga het hebben over de taken van de VOB aan boord van de Neptune. Deze waren dus uitgebreider dan aan boord van de Stoef.
We waren met 3 of 4 VOB’ers aan boord en wisselden om bepaalde tijden met elkaar.
Deze taken waren:
1. Verbindingen met de wal door middel van de HF radio met gebruik van Morse of Voice.
Het coderen of decoderen van de berichten.
2. Het bedienen van de radar.
3. Het bedienen van de ESM. (Radar onderschepping}
4. Het bedienen van de sono sensoren zowel actief als passief.
5. Het bedienen van de MAD. (Meten magnetische afwijkingen)
6. Het bedienen van de LORAN. ( Long range Navigation)

Bij de punten 2 t/m 5 werden bepaalde tactieken gebruikt welke uit diverse betreffende boeken werden geleerd en waar nodig toegepast.
Dit verhaal gaat over 1 van de taktieken welke kon worden toegepast bij het gebruik van de ESM.
De ESM was een apparaat waar mee je radar uitzendingen van anderen kon onderscheppen, peilen en classificeren. Er waren meerdere taktieken, maar deze gaat over het zogenaamde
“Hemstiching”.
Een radar die uitzendt, heeft een soort bundel waarmee hij zijn doel opspoort. Het meeste vermogen ligt in het midden daar van. Daar krijgt hij ook de sterkste echo terug en heeft dus daar ook het grootste bereik.
Aan de buiten randen van deze bundel is het vermogen klein en soms zo klein dat er niet voldoende van is om een echo terug te zenden die sterk genoeg is om zichtbaar te zijn op de radar. Onze ESM ontving hem nog wel.
Hemstiching was een taktiek om steeds wanneer het radar signaal op de ESM sterker werd, lager te gaan vliegen om aan de rand van de bundel te blijven. Zodoende konden wij het doel dicht naderen zonder (hopelijk) zelf gedetecteerd te worden.
Hier is trouwens niets geheims aan, het werd in WW2 al toegepast. Boven het kanaal werd door de gealieerden, indien mogelijk, al onder de Duitse radar bundel gevlogen.
Even een praktijk geval.
Ik was met bemanning Delta met de Neptune voor een van de detacheringen van 4 maanden geplaatst op Curacao.
We maakten een rond trip door de Carabiën en deden verschillende eilanden aan. Daar onder ook de Cayman Islands. Een idyllisch oord waar van werd gezegd dat vele hoofdmannen van de piraten schepen uit vroeger tijden daar hun thuishaven hadden. Ook ging het verhaal dat nog vele schatkisten op deze eilanden te vinden zouden zijn.
Wat mij het meest is bij gebleven was dat op het vliegveld bijna al het vrouwelijk personeel in charmante piraten pakjes met korte rokjes liep. De oude rovers hadden trouwens ook voor een soort nakomelingen gezorgd waar je met plezier naar keek.
Na een gezellige avond en goede nachtrust gingen we de volgende dag weer op weg naar onze volgende bestemming.
Na de start en na geklommen te zijn ontdekte ik na enige tijd een radar signaal op de ESM in noordelijke richting. De vliegtuig commandant vond dat we deze gelegenheid moesten aanpakken om een oefening te doen. We gingen hemstichen.
We konden geen classificatie vinden maar gingen toch aan het werk. Iedere keer, bij een sterker wordend signaal, gingen we lager. Tot we vlak boven zee vlogen. Toen draaiden we af. We meenden ook land te zien.
Ik vraag me soms nog steeds afwat voor radar het is geweest.

Detachering op Sicillië

 

We waren daar met de Stoef getetacheerd op Fontana Rossa nabij Catania. We oefenden daat met het smaldeel.
Op een van deze vluchten bevonden zij zich dat noord van Sicilië. Het waaide op de basis hard, tot zeer hard. We konden echter toch starten en gingen richting oefen gebied noord van Sicilië.
Aangekomen bij onze varende collega’s zagen we beneden ons geen schuimkoppen, maar alleen maar schuim. De schepen hadden het heel hard te verduren. Het opsporen van een onderzeeboot was, onder deze weersomstandigheden, onmogelijk. We werden dan ook bedankt en gingen terug naar basis.
We namen de korste weg, door Straat Messina. Op een moment kwamen we aan de lij-zijde van de Etna te zitten. Daar de storm van de andere kant kwam, kwamen wij in een ongelooflijke turbulentie terecht.
Strak ingestript gingen we door deze draaikolkende lucht.
Eenmaal voorbij de Etna werd het rustiger en we landden zonder moeilijkheden. De kist werd wel na gemeten.
Enige tijd na de landing vernamen wij dat de eerste officier en de chef der equipage van de Zeven Provinciën over boord waren geslagen en omgekomen.
Zij werden naar ons vliegveld gebracht. Wij hebben toen met ons squadron bij hun wacht gelopen. Dit was een droevig moment tijdens onze detachering.
We sliepen in een kleine slaapzaal met veel mensen. Op stapel bedden. We hadden kleine kastjes. Daarom hing onze kleding aan deze bedden. Er werd al een tijdje gestolen.
Op de avond voor dat we naar huis gingen kon ik niet in slaap komen. Ik lag al een tijdje wakker toen ik in het donker een figuur de slaapzaal op zag komen.
Hij begon bij het eerste het beste bed in de kleding te rommelen. Ik had door dat hij aan het stelen was. Ik liet hem zijn gang gaan tot hij halverwege de slaapzaal was. Toen sprong ik boven op hem. Ik riep: “Ik heb hem, ik heb hem!!”.
Het was een klein Italiaantje dat kraakte in mijn houdgreep. Hij gilde van schrik en begon zijn excuses aan te bieden. Ik liet hem echter niet los. De maten werden ook wakker en sloegen alarm.
De officier van de wacht kwam de zaal op vergezeld van twee mannen bewapend met snelvuur dingen.
Het mannetje verstijfde. Ik had écht medelijden met hem. Maar ja, het kon niet meer terug gedraaid worden. Ik kende hem. Hij was vaak in ons gezelschap. Hij was een zéér arm milicieëntje die erg tegen ons op keek. Jammer dat het zo tussen ons moest aflopen.
Op de dag van ons vertrek werd ik samen met onze detachement commandant LTZ Kopp ontboden bij de basis commandant. Deze bood mij persoonlijk zijn excuses aan.
Ik denk nog heel af en toe aan dat kleine ventje dat zo tegen ons op keek. Als ik had geweten dat hij het was had ik hem met kop en kont naar buiten gesmeten, maar niet aangegeven. Hoe zal het met hem afgelopen zijn, niet zo best denk ik. Arme donder.