ONCE IN A LIFETIME

Ik had hem vele jaren terug al een keer tussen het riet zien staan. Zijn tactiek van dood stil staan met gestrekte nek en gebruik makend van zijn camouflage kleuren had die keer niet geholpen. Ik spotte hem. Jammer geen camera.
Vandaag liep ik weer rond het meer met Femke toen ik, weg gekropen onder de wal in een smalle sloot, een vreemd gekleurde eend zag. Toen ik hem benaderde ging hij niet weg. Toen ik nog eens goed keek kreeg ik een blijde schok, een Roerdomp. Ik zag het aan zijn ogen en scherpe snavel die , recht omhoog, echt geen millimeter bewogen. Ook zag ik onder water zijn gevouwen lange groene poten. Hij keek me strak aan. Hij had echter geen ontsnapping route, de sloot was smal en het riet hoog. Jammer geen camera. Toch! Ik moet er nog steeds aan wennen, maar met je telefoon gaat het iook. Ik maakte een paar foto’s en wilde door lopen. Toch ging ik nog even kijken of hij misschien in nood was, ik filmde hem. Niets was echter minder waar.
Hij vertrouwde nog steeds op zijn camouflage tot Femke hem ontwaarde en blafte. Hij werd vier keer zo groot en nam een dreigende houding aan.
Hij werd het zat en ging in de aanval op mijn telefoon.
Ik ging snel weg om hem niet nog meer de zenuwen op het lijf te jagen. Hij koos het Roerdompen pad naar de overkant en werd één met het riet

Het Bofors 40 mm kanon

 

Aan boord van de Karel Doorman bevonden zich 10 Bofors 40mm mitrailleurs. Zij werden mitrailleurs genoemd, maar de knallen die zij bij het schieten ten gehore brachten konden wedijveren met die van een klein kanon.

Ik dacht toen wel eens, wanneer wij vlieg en scheeps herkenning kregen en de operationele mogelijkheden der Russische projectielen leerden, hoe wij zo een vijandelijke raket die sneller of bijna net zo snel als het geluid vlak boven water of loodrecht naar beneden op je af kwam met dit wapen moesten vernietigen.

Maar omdat in principe geen ander verdedigingsmiddel ter beschikking was, was de enige hoop de Elektronische Oorlog Voering. Die stond toen echter ook nog in de kinderschoenen. Je kon die “sigaren” in ieder geval hier mee wel aan horen komen.

De bemanning, van welk dienstvak of richting ook, zorgde er echter ook voor dat het schip voldeed aan de eisen die er aan haar werden gesteld. Uiteindelijk om de vliegtuigen en helikopters te laten vliegen, die het smaldeel toen in principe tegen het onderzeeboot gevaar moesten beschermen. Deze konden hun aangewezen taak, al ver voor de schepen uit aan en ook uitvoeren. En dat gebeurde. Nogmaals, dank zij iedereen aan boord. Ik dwaal af…

Soms werd er geoefend met onze 40 mm wapens. Dat werd van te voren gepraaid (omgeroepen) over de scheeps omroep en stond in principe ook op de dagelijkse orders.
Toen ik pas aan boord zat, deed zich dat op een dag voor. Ik kon de in mijn DNA altijd aanwezige nieuwsgierigheid niet bedwingen en begaf me naar het eiland. Ik stelde mij op vlak bij een waterdichte deur, die vaak open stond, net achter de crashwagen.

Wat ik niet wist, was dat er bijna recht boven mijn hoofd ook zo’n herrie maker stond.
Ik wachtte op het spektakel. Dit kwam mij duur te staan. Het apparaat boven mijn hoofd begon plotseling te vuren. Het lawaai was enorm en ik voelde de drukgolven.
Een soort van lichte hart stilstand was het gevolg en ik dacht maar aan één ding, WEGWEZEN!!
Ik rende vele steile trappen met hoge snelheid af. Halverwege het cafetaria kwam ik weer op de lijn. De schrik zat er goed in. Ik vertelde het aan mijn maatje Joep Weijers.

Later was er weer zo’n schiet oefening gepland, ik zag het op de dagelijkse orders. Joep en ik smeedden een smerig plan. Er waren nieuwe collega’s aan boord gekomen.
We vroegen aan een van hen of hij mee wilde gaan kijken naar dit interessante gebeuren.
Hij wilde wel. Toen er werd gepraaid begaven wij ons naar de zelfde plek waar het mij was
overkomen. We keuvelden wat, tot … BAMM!!!, BAMM!!!, BAMM!!!
Er gebeurde precies wat wij verwacht hadden. Hij deed niet voor mij onder. Het heeft me ’s avonds in het korporaals verblijf aardig wat biertjes gekost om het goed te maken.

Foto 1: Het eiland me de crashwagen en daar boven het kanon.
De bananenschil antenne is er een van de CCA, Carrier Controlled
Approach. Een radar controlled hulp systeem bij de landing.

Het eiland met de crashwagen en het kanon

 

Het Smaldeel

Ocean station India/Juliett/Kilo/Lima/Mike

Ik zag een foto en opmerking geplaatst door Ton Neleman op FB van een postdrop door een Neptune van 320 bij het weerschip Cumulus dat op de Oceaan lag.
(Buiten de Cumulus was er ook de Cirrus. Zij bevonden zich beurtelings op een vaste positie. Deze posities werden respectievelijk Ocean station Mike en Kilo genoemd).
Het betreffende schip gaf het weer en andere bijzonderheden op de oceaan en ter plekke, door aan onder andere het KNMI en fungeerde tevens als een aanvliegbaken en informatie station voor vliegverkeer afkomstig uit Amerika richting Europa en andersom. Er waren meer van deze schepen. Ik heb een kort verhaal over één van deze soort vluchten die ik heb meegemaakt.

We waren gestart van Valkenburg en gingen uitermate relaxed onderweg naar ons weerschip
Deze vluchten werden tevens gebruikt om de navigatie zonder elektronische hulpmiddelen te beoefenen. Er werd dus onder andere volop zonnetje geschoten (indien aanwezig) en drift gemeten.

We vlogen toen over de Noordzee, Engeland en Ierland de Atlantische Oceaan op.
We zaten boven de wolken en de motoren waren prachtig in sync (synchtonisatie). Het mooiste geluid om bij in slaap te vallen. Maar dat deden wij natuurlijk niet.
Na enkele uren kwamen wij in de buurt van ons doel, maakten verbinding met hen en gingen in de descent (daling). We zakten langzaam in hun richting, een kleine verandering in de settings van de motoren en een beetje flaps.

We kwamen in de wolken en we begonnen licht te schudden, daardoor werden wij, voor zover nodig, nog wakkerder. We kwamen er onder uit en het schudden hield op.
Iedereen was zeer ontspannen. Tot….. Bakboord motor werd iets dikker en gaf een dreun. En nog een en nog een.
Er werden snel maatregelen getroffen om hem af te zetten. Tot …. Onze eerste vlieger was Willem Eikelboom. Een zéér ervaren, adjudant vlieger.

zijn woorden: “Laat maar lekker draaien. Hij doet het nog goed. Als hij in de soep gaat is er nog genoeg tijd om hem af te zetten. We zitten ver van huis”.
Zo gezegd zo gedaan, het klappen ging over en de motor liep na een tijdje weer als een zonnetje.
Alle instrumenten zagen er goed uit. We dropten onze post, klommen en gingen naar huis.
De vermoedelijke oorzaak was ijs in de carburator. Willem liet zich door een beetje ijs niet van de wijs brengen.
Foto 1: Ocean stations
Foto 2: De drop
Foto 3: De post container is geborgen.
Foto 4: Afscheid.

Posities van de diverse weerschepen (Ocean Stations)

Container lekko

De Container is geborgen, blijde gezichten

Afscheid

Revanche van de Phantom?

 

We waren een keer met bemanning 15 op een airshow in Schotland, ik dacht Prestwick, met de Orion. We waren static, of te wel het publiek kon de kist bekijken. We deden geen demonstratie vlucht.
Naast onze kist stond een indruk wekkende Duitse F4 Phantom. Hij was van dicht bij een stuk groter dan ik had gedacht.
Joep en ik hadden al snel goed contact met de bemanning. Twee, heel aardige, Duitse jonge mannen.
Toen we naar huis gingen, formeerde de F4 zich na de take-off op, dicht aan onze stuurboord zijde. Ik weet niet of dit van te voren zo afgesproken was. Ik had geen opdracht gekregen om onderzeeboten op te sporen, dus liet mijn apparatuur uit en ging naar de cockpit alwaar je met aardig wat lieden kon verblijven. Zittend maar ook staand, ruimte zat. Ik stond toevallig.
We klommen en draaiden daar na een rechter bocht om een, uiteraard toegestane, Low-Pass te maken.
We gingen steeds lager en omdat over stuurboord draaiden, zat de F4 in de bocht lager dan wij.
We gingen in voor finals en zaten ondertussen al aardig laag. Hij dus nog lager. Toen we vlak voor de baan kwamen draaide George (Bornhijm) nog net iets steiler over stuurboord.
De Phantom hield het voor gezien, ging in de break en klom steil, met veel geweld richting zwerk. Er werd gegniffeld in onze cockpit.

Joep met Duitse Phantom vlieger

Enige weken later.
We waren weer met bemanning 15 een soort navigatievlucht aan het maken. Ons keerpunt was in de buurt van het Duitse Wadden eiland Borkum. Toen we net waren omgedraaid kwam er een Duitse F-4 naast ons vliegen. Na dat we naar elkaar gezwaaid hadden draaide hij af en verdween achter ons.
We vlogen gezellig keuvelend verder. Opeens!.
Met een klein hoogte- en snelheidsverschil kwam de Phantom van achter recht over ons heen.
Ik stond “toevallig” weer in de cockpit en zag het gebeuren. Een maal redelijk vlak voor ons begon hij onder een kleine hoek te zakken.
Het was een mooi gezicht zo achter in twee van die grote kachelpijpen. Op een gegeven moment zat hij automatisch lager dan wij. Waar wij niet aan gedacht hadden gebeurde.
Hij had tijdens het zakken ook even op dezelfde hoogte als wij gezeten. Zo als ik al eerder zei was het een grote kist met veel hete lucht achteruit. Opeens vlogen wij de turbulentie van hem binnen. Niet te geloven wat deze teweeg bracht.
Omdat ik stond, ging ik door de eerste klap door mijn knieën. Deze eerste was echt ongekend hard. We slingerden daarna nog wat, maar niet te vergelijken met de klap er voor. Schrik!!
We hebben hem niet meer gezien, maar nog wel even, niet netjes over hem gepraat.
Ik denk dat zij de baard van George herkend hebben.

Wat heet turbulentie

Commentaar van collega’s

John Thomassen Na een oefening mijnen leggen in de monding van de Eems kwam een Duitse F4 onder ons door om daarna steil te klimmen, wij vlogen door de wake turbulence. Ik zat op dat moment voor het CB panel achter de copilot, door de klap van de turbulentie sloeg ik met mijn gezicht tegen de rugleuning van de co. DIKKE KAPOTTE LIP. ik heb toen ook ff niet zo netjes gepraat.

Jaap Barendrecht Ooit vlogen wij naar huis vanaf Gibraltar . Je mocht niet over Spanje dus vlogen we dan naar 8 graden west en pal noord naar Exeter om de Red1 (verplichte luchtweg) te joinen (gaan volgen). Het was ‘s morgens vroeg en net daglicht. Aan boord hadden we een cursist waarnemer van vsq2 die een achterstand in astro navigatie had en nog wat sterren moest schieten. Het was kennelijk ook een zware detachering geweest want het grootste deel van de bemanning lag te slapen zo ook de tweede vlieger. De mecano “Cassi Ampat” (vertaald uit het Marine Indonesisch : Viergever) dacht ik, hield angstvallig in de gaten dat ik ook niet in slaap viel. Zo merkte ik ineens dat er iets vreemds met de sb.tiptank (stuurboord benzine tiptank) was. Daar hing namelijk een phantom aan (vlak naast). Toen de vlieger zag dat ik hem zag gaf hij plankgas en draaide pal voor ons langs. De hele crew werd wakker.

Stuurboord tiptank met zoeklicht.

 

 

Het volgende verhaal van Puk van Loon vereist enige uitleg voor lezers niet van de Marine Luchtvaart Dienst. Wanneer de Luchtmacht F-16’s gingen laag vliegen in Canada, vlogen zij vanuit Nederland via IJsland naar Canada. Zowel op de heen als de terug weg werden zij tussen IJsland en Canada geëscorteerd door een Orion om bij een onverwachte gevaarlijke gebeurtenis zo snel mogelijk alarm geslagen, rubberboten gedropt en mentale steun kon worden verleend. Daar de f-16’s iets sneller vlogen dan wij, startten wij geruime tijd eerder dan zij. Ongeveer halverwege passeerden zij ons dan.
Ton Roelie van Loon. Dit hebben we in Goos Bay Canada, ook met George B. mee gemaakt. In de longroom was verteld dat de F16’s wel onder ons door zouden vliegen als wij laag vlogen. Bij het terug keren van de F16 zorgde wij dat we hen op de helft naar IJsland hen zouden begeleiden, dit i.v.m. problemen die zouden kunnen ontstaan. Door het slechte weer op IJsland ging dit vandaag niet door, dus wij terug. Ook waren er enkele F16 piloten bij ons aan boord. Mooi, genoeg brandstof, dus wij naar het laagvlieggebied. Wij waren daar niet de enigen maar George ging zo laag dat het commentaar van de F16 piloten was : hier gaan wij niet meer onderdoor !!!!!!!

 

ANTON GEESINK IN DE KOUDE OORLOG

Anton himself

 

Tijdens de Koude Oorlog tijdens de zestig, zeventig en tachtiger jaren, bespioneerden en volgden wij met Argus ogen en andere middelen de toen meest waarschijnlijke toekomstige vijand. Persoonlijk vloog ik in die tijd op de SP2H Neptune.
Ons belangrijkste doelen waren toen hun in grote getalen aanwezige oorlogs, spionage, andere verdachte schepen en onderzeeboten. Ook ontmoetten wij soms hun vliegtuigen zoals Bears en Badgers.
De vijver met de meeste van deze vissen was de Noorzee en noord daar van. Zeg maar tussen het noordelijkste puntje van Noorwegen en IJsland. Ook west van IJsland was doelgebied, maar minder bevolkt.
Om te opereren en zoveel mogelijk tijd te hebben om hen aan het kleed te komen werden speciale vluchten gemaakt vanaf Noorse vliegvelden. De twee meest voor komenden waren Bödo en Andoya, beiden ruim boven de noorder keerkring gelegen.
Vooral tijdens de winter maanden, wanneer het bijna de gehele dag donker en het weer duidelijk van mindere kwaliteit was, viel er in de vrije uren weinig te beleven. Zeker in Andoya een dorp met een paar honderd inwoners.
Bödo was een ietwat grotere stad. Daar sliepen wij meestal in een hotel waar je een biertje kon drinken, mits je ook iets te eten bestelde. Soms speelde daar een bandje met leden van diverse nationaliteiten, die door onze sectie stiekem (MARID) werden verdacht van sympathiën voor onze eventuele toekomstige vijand. Wij hebben daar trouwens nooit iets van gemerkt.
Op een avond zaten wij met onze bemanning daar gezellig aan een biertje. De plaatselijke schonen kwamen ook regelmatig op de enige plek van vertier binnen vele kilometers af om plezier te hebben.
Het was gezellig, de KGB maakte een leuk muziekje, het biertje smaakte en ik kreeg het naar mijn zin. Zo goed zelfs dat ik zin kreeg in een dansje met een van die mooie Noorse deerns. Mijn eerste verzoek werd direct ingewilligd, ik was nog jong. We dansten een aardig paar nummertjes weg. We kregen contact en ze vertelde mij dat zij een vriend had in Nederland.
Zij vertelde ook dat hij net als ik met een vliegtuig in Bödo was toen zij hem leerde kennen.
Ik vroeg: “Hoe heet hij, misschien ken ik hem”.
“Anton Geesink” zei ze.”
“O, die ken ik wel. Een grote kerel”.
“Nee, een klein donker mannetje”.

Kresta kruiser.

ELINT (Electronic intelligence

Helikopter kruiser met Hormoon helikopters.

Foxtrot type diesel onderzeeboot

TU-19 Bear

Corporals three

(Titel anekdote ontleend aan een film uit mijn jeugd “Sergeants Three” met Frank Sinatra, Dean Martin en Sammy Davis jr.)

De korporaal vlieger Cor Blokzijl, later verdaagd bij de civiele luchtvaart en Han van de Brake gingen een instrument trainingsvlucht (IF) maken met de S-2-A. Han heeft later het agrarisch bedrijf van zijn vader overgenomen, maar is blijven vliegen met een sproeivliegtuig. Ik heb ooit vernomen dat hij tijdens een van die vluchten helaas is omgekomen.
Er moest tijdens deze IF vluchten altijd een uitkijk mee. Ik, ook nog korporaal, werd daar voor aangewezen. Het bleek echter dat ik deze rang het langste van de drie bezat, hier door werd ik onderstreept in het autorisatie boek. Dit hield in dat ik vliegtuigcommandant was.
Na de preflight gingen we airborne. Drie jonge honden met een prachtig vliegtuig met héél veel power.
We deden de benodigde oefeningen voor de IF check en daar na begaven wij ons richting Noordzee.
Daar leefden wij ons uit. We vlogen onder andere op relinghoogte op schepen af, daarna een steile klim gevolgd door een hoge bocht. Hierbij zag ik door mijn raampje de horizon op 90 graden staan. Ik had de indruk van soms iets meer, maar als niet vlieger weet ik niet of dit mogelijk was met de Stoef.
We deden nog meer dingen die ik erg leuk vond, maar die weet ik niet meer precies.
Uiteindelijk maakten we nog een paar touch en go’s en uiteraard een full stop. Heel braaf kijkend stapten we uit. Ik als eerste. Dit natuurlijk omdat ik het dichtst bij het deurtje zat.

Wij zaten nog wat lager. Soms maakte de wind van de propellers wervelingen in het water. Stout!

Tirtagangga

De “misschien” komende uitbarsting van de Gunung Agung deed mij terug voeren in de tijd dat ik hem voor het eerst op mijn netvlies kreeg. Daar, de uitbarsting, was toen in 1998 nog geen sprake van. De berg maakte toen voor de eerste keer al indruk op mij.

Jolanda en ik maakten samen een trekking door Indonesië en eindigden op Bali. We verbleven enige dagen in Sanur en namen toen een taxi om ons het eiland verder te laten zien. Dit klinkt duur, maar was een zeer goede optie.
We hadden een zeer sympathieke chauffeur die ons toen vele indrukwekkende, niet toeristische, plekken heeft laten zien. De eerste daar van was de Desa “Tirtagangga”.
Er was een water paleis wat wel toeristen trok, maar de rest van de omgeving was betoverend.

We logeerden in een hotel op een heuvel met prachtig uitzicht, waar bij zon opkomst de kinderen voor dat ze naar school gingen de vogeltjes in de sawa’s met luide stemmetjes en ratelaars probeerden te verjagen. Met wisselend succes overigens. Ontroerend.

Toen wij in Tirtagangga aan kwamen werd ik na het slobberen van een hoogst waarschijnlijk overtijd of met lichtelijk vervuild water bereid schaaltje soep getroffen door een maag darm stoornis van een hevigheid die ik niet kon en nu nog niet kan beschrijven. Dat bespaar ik jullie dan ook.
Gelukkig hadden wij een hotel van zeer grote klasse waar veel rust heerste en ik me binnen enkele moeilijke dagen weer beter begon te voelen.
We besloten nog enkele dagen te blijven om mij weer op de lijn te laten komen.

Na enige tijd begon ik al enkele wandelingen te maken in de wonderschone omgeving. Ik vertel er een van, als jullie het niet erg vinden.
Op de heuvels rond ons hotel waren vele zeer primitieve dorpjes waar mensen woonden die alleen Balinees spraken, geen Indonesisch. Huisjes met daken van palm bladeren en veel kippen en andere dieren rondom. Maar die zijn er in Indonesië natuurlijk meer.

Tijdens een andere wandeling hoorde ik bedrijvigheid boven op een vrij hoge heuvel. Ik ging kijken en trof een aantal mensen, waaronder ook kinderen, aan die uit een grote gevelde boom visboten zaten te hakken. Ik was verbaasd en vroeg: “Waarom zitten jullie een aardig stuk van zee op een heuvel bootjes te maken?” Adu meneer, als ze klaar zijn,hoeven we ze alleen maar naar beneden, naar de weg te laten glijden. Daar is transport. Stom van mij.

Zoals vele van mijn verhalen eindig ik toch nog met iets spannends. Aan de overkant van de weg, beneden ons hotel zat zo nu en dan een oudere man fluiten te maken. Op de middag van ons vertrek gingen Jolanda en ik nog even een kijkje bij hem nemen. Zijn fluiten sneed hij daar, dus aan de overkant, onder een hele grote Tamarinde boom. In zo een groot bladerdak bevinden zich talloze lieve of minder lieve insecten en andere gluiperds.
Een van de laatsten die zich daar graag schuil houdt is de groene boomadder. Een slang welke bij grotere afmeting, bij een beet je de oren en benen voor de laatse keer kan doen strekken. Mede daar door hebben ze later bij de fabriek weinig moeite om de lengte van je kist te bepalen.
We gingen dus een kijkje nemen. Toen we onder de Tamarinde waren hoorde ik een klets alsof er iemand met kracht op zijn blote reet werd geslagen.
Boom adders laten zich vaak uit bomen op een prooi vallen. Dat heb ik gehoord, maar ik weet het niet zeker. Hij kan ook in slaap gevallen zijn.
Deze gluup viel op minder dan een meter afstand van Jolanda op de weg. Hij had echter pech, of Jolanda had geluk, binnen een oogwenk werd hij dood gereden door een brommer.

Ons geweldige hotel op een berg.

Het uitzicht. Met uitzicht op de Gunung Agung.

De botenbouwers

Mentale ondersteuning van de familie

Onze fluiten snijder met een fiets die door de Japanners in de oorlog werd gebruikt

De fataal geraakte groene boom adder met zijn gemene brede kop en grote ogen.

Hier zijn twee jonge vrouwen aan het werk om voor de bouw zeer geschikt zand te winnen in een bedding afkomstig van de Agung. Zij moesten dat zand met mandjes zeven en daarmee een truck vullen. Daar dezen ze een week over. Voor de geleverde prestatie kregen ze dan elk drie euro. Tegenwoordig gaat het machinaal. Het wordt vervoerd met enkele honderden trucks per dag, met het gevolg dat de wegen vanuit Karangasem naar Denpassar bijna verstopt raken. De berg kijkt    om het hoekje nieuwsgierig om het hoekje mee.

 

De uitkijk

De dag dat ik officieel in actieve dienst der Koninklijke Marine trad was 29 februari 1960. Dus zoals velen onder ons weten, een van die dagen die slechts één maal in de vier jaar voor komt.
De jaren er voor had ik twee mogelijkheden me voor te bereiden om een bronzen, zilveren of zelfs gouden plak te veroveren. Dat was bij de Olympische Spelen, of de hier voor genoemde Koninklijke Marine, hierna OS of KM genoemd. Bij de laatste zou het aanzienlijk meer tijd in beslag nemen voor ik hen uitgereikt zou krijgen.
Ik had al snel door dat om via de OS een plak te bekomen,ondanks dat het sneller kon, een verkeerde keuze zou zijn. Dan had al ik vele jaren eerder in training moeten gaan. Wat over bleef was de KM.

Daar had ik wel van gehoord, maar ik had geen idee wat die eigenlijk precies inhield.
Ik koos er toch voor en doorliep de diverse de keuringen en opleidingen, tot mijn verbazing met verve.
De laatste van de serie was die van opleiding tot telegrafist. Die vond plaats op de Verbindingsschool (VBS) te Amsterdam, een onderdeel van de Marine Kazerne Amsterdam (MKAD).

Buiten de school uren, liepen wij daar echter ook in grote getale de zo genaamde schippers wacht.
Er waren vele taken die je tijdens zo’n wacht moest kunnen vervullen. Een daarvan was de “Uitkijk”.
Een taak waarvan ik de reden vaak minder goed kon plaatsen.
Een uitkijk was een wacht die in principe in de gaten hield of alles op de zijn aangewezen post goed en veilig verliep.
Zo had je de uitkijk slaapzaal. Op de VBS was dit een zaal boven in een houten gebouw waar tachtig aankomende telegrafisten, seiners of codeur telexisten de nacht doorbrachten. Er waren veertig, twee hoge, bedden geplaatst, verdeeld over twee zijden met in het midden een loop pad.

Gedurende de uren van 2100 tot 0700 liep er een uitkijk over de zaal om te kijken of alles veilig was. Wij opperden wel eens dat hij door zijn fysieke aanwezigheid, zonder dat hij het wist, ervoor zorgde dat zij allen “met hun handjes boven de dekens sliepen”. Later hoorde ik wat dit betekende.

Het was geen aangenaam verpozen op die slaapzaal. Daar de meesten in
die tijd hooguit één maal per week een bad, c.q. douche namen, was de lucht daar soms om te snijden. Maar we wisten toen niet beter.

De MKAD was aan drie zijden omgeven door water en een kant bebouwd met gebouwen, sommige uit de tijd van Napoleon, met een hoge muur.
Bij de VBS had je twee uitkijken kade. Één liep aan de wallenkant die uitkeek op de Prins Hendrik Kade en één die uitkeek over een groot water richting Pollux (een antiek zeilschip met drie masten). Daar we elkaar om de 2 uur aflosten, hield dat in dat er aardig wat mannen in gezet werden. De taak omschrijving was voor sommigen duidelijk, maar ik vond ze vaag.

Dat hield in dat we echt niet wisten waar we op moesten letten. Wij verpoosden ons dan ook met het tellen van de enorme hoeveelheid condooms die in het water dreven. Soms ook verbaasd over de grotere of kleinere afmetingen daar van. Dit grote aantal was het logische gevolg van de welig tierende liefde op de Wallen.

\
Op een avond had ik de wacht op de kade Pollux. Daar was ook een houten kast met een brandslang aanwezig. Als uitkijk wallenkant waren wij bewapend met een koppel met daar aan een bajonet van het geweer M-1 Garand. Deze bajonet had een afmeting waar een Romeinse soldaat, met hun korte zwaarden, jaloers op zou zijn geweest.
Ik verveelde me een keer en vroeg me af hoe zo’n bajonet zich als werp mes zou gedragen. Ik smeet hem diverse malen richting kast. Soms kletterde hij er tegen, soms schampte hij af, maar ook plofte hij er af en toe een aardig eindje in. Ik vermaakte mij goed.

Toen de volgende morgen het half vernielde kastje werd aangetroffen was de dader snel gevonden. Ik heb me toen, met een aantal dagen licht arrest vanwege vernieling van Rijks Eigendom, minder goed vermaakt.

Het snuffelbroodje

Ongeveer zo’n broodje

Het was tijdens een detachering met de Neptune vanuit Montijo. Een vliegbasis tegenover Lissabon aan de Taag. De vliegtuig commandant was  Luitenant ter zee vlieger der eerste klasse “Ome Kees”van Andel. We hadden een oefening met het smaldeel en waren daar op flinke hoogte, rond 8000 voet, op weg naar toe.

Ik had de MAD (Magnetisch detectie apparaat) in de neus afgeregeld en ging nog even lekker onderuit zitten. Ik was flink verkouden, dus dat kon ik wel gebruiken. Ik was in die tijd misschien een beetje macho, dus niet vliegen met een verkoudheid was ver beneden mijn waardigheid. Hier pluk ik heden ten dage nog steeds de wrange vruchten van. Onder andere wanneer ik me midden in een gesprek met meerdere personen tegelijk bevind.

We hadden, in tegenstelling tot het eten op de basis, geen slechte vliegrantsoenen mee gekregen. Daaronder bevond zich een lekker knapperig broodje belegd met een nogal rijkelijk gekruide “bistek”, een dun, wel iets taai, maar ook lekker stukje rundvlees.

We waren de dag er voor wezen stappen in Lissabon. Ik weet niet of het door het bier of door de enorme gegrilde kip kwam welke ik in de zogenaamde “Blikken buurt” had genuttigd, maar ter hoogte van mijn maag-darm kanaal begon het een beetje onrustig te borrelen. Ook de lagere luchtdruk op onze hoogte kan overdruk in mijn ontlastingssysteem veroorzaakt hebben.

Het onaangename gevoel, soms aangevuld met krampjes verplaatste zich langzaam maar zeker in de richting van de ontsnapping mogelijkheid.
Op een gegeven moment werd de druk zo hoog, dat ik besloot om de overdruk, zij het
gedoseerd te laten ontsnappen. Gedoseerd om een verkeerde diagnose op tijd te kunnen stoppen.

Bij de eerste dosis kreeg ik, ondanks dat ik bijna geen reuk had door mijn verkoudheid, een zeer penetrante geur voor mijn kiezen en ik realiseerde mij dat dit erg moest zijn.
Mijn vermoeden werd bewaarheid door de onrust die ik constateerde bij de rest van de bemanning. Op het flight deck zat Ben van Wordragen achter de ESM (Radar onderscheppingsapparatuur). Hij verkondigde met zijn nogal luide stem over de intercom: “Hallo daar, er zit er een aan zijn grootmoeder te denken”.

“O”, zei Ome Kees, “Ik zit al aan mijn broodje te ruiken”.

Arthuro

Trail van 16 dieptebommen. (Foto Jan Groenbos)

Tijdens de periode dat VSQ320 met 3 Neptunes te Curaçao was gestationeerd, was een van de hoofdtaken,de Opsporing Reddingsdienst (OSRD). Tevens liep je ook de vliegwacht voor eventuele andere calamiteiten, welke operationeel verschillend van aard konden zijn.
Voor het grote aantal dagen dat de wacht werd gelopen, was een soort compensatie regeling bedacht. Hoe dat werkte wil ik u niet mee lastig vallen, het was voor ons zelf al ingewikkeld genoeg.
Het kwam er wel op neer, dat hoe langer je op de “klip” (niet negatief bedoeld, in tegendeel) zat, hoe meer vrije dagen je opbouwde.

De mogelijkheden op Curaçao om je tijdens deze vrije dagen te verpozen waren, zoals bij velen wel van ons bekend  denk ik legio.
Een van die mogelijkheden was “Frommer Beach”. Een hotel met een fraai strandje, zwemvlot en niet te vergeten een gezellige bar. Achter deze bar stond een man waar het dit verhaal een beetje om draait. Hij heette Arthuro, een Curaçaose jonge man.

Een toevallige maar tevens aangename bijkomstigheid was de geregelde aanwezigheid van soms zeer aantrekkelijke dames ( KLM stewardessen), die daar hun stop van enkele dagen doorbrachten. Dit had, zij het onbewust, toch wel enige aantrekkingskracht op ons MLD’ers.

Ook Arthuro veranderde wanneer er enkele van die dames aan de bar verschenen.
Hij gooide dan al zijn charmes op dek. Wanneer het gezellig werd toverde hij zijn “jammerhout” (marine “slang” voor gitaar) tevoorschijn en begon te kwelen.
Ik had de indruk dat hij probeerde, misschien soms met succes, de harten te breken van de dames. Volgens mij was echter het enige wat gevaar liep voor breken het aanwezige glaswerk. Dit vanwege zijn niet al te zuivere “Hoge C”.
Op een dag zaten we weer een keer op Frommer. Onze tweede waarnemer Appie Vuil was een aardig eindje op zee aan het stoeien met een windsurf plank. Op een gegeven moment begon hij al zwaaiend de aandacht te trekken. Wij vonden dat hij zich wel erg uitsloofde voor de dames. Tenslotte kregen wij echter door dat er iets aan de hand moest zijn.

Op Frommer was een flinke  speedboot aanwezig. Deze werd meestal gevaren door
Arthuro. Hij besloot maar eens te gaan kijken wat er met Appie was. Even later keerden zij samen terug met de surfplank op sleeptouw, zeker panne. Het bleek echter dat bij Appie geruime tijd een grote Hamerhaai rond zijn plankje had gecirkeld. Hij was erg onder de indruk.

Er was een dag dat door de op vliegveld Hato aanwezige “Bommen en Granaten”, artillerie mannen, besloten werd om een serie bejaarde dieptebommen te laten doen waar voor ze gemaakt waren, namelijk ontploffen. Dit om te voorkomen dat zij vanwege hun hoge leeftijd onstabiel zouden worden, gelijk de mens.
Er werd bedacht dat dit ook het beste kon plaats vinden op de manier waarvoor ze ontworpen waren. Ze zouden door onze kisten in zee gedropt worden.

Op een dag werd dit onder een drankje besproken aan de bar bij Frommer. Arthuro was een fervent visser. Toen wij vertelden dat bij zo’n ontploffing dode of versufte vissen boven kwamen drijven was hij hevig geïnteresseerd. Er werd een afspraak gemaakt.
De bommen zouden noord van Curacao gedropt worden. Arthuro zou daar met zijn speedboot in de buurt zijn en eventuele buit uit zee opvissen. Zo gezegd zo gedaan.
Er was een vlucht met de voorgaande opdracht airborne en al snel werd Arthuro met zijn boot waargenomen. Na een paar proefruns gingen de explosieven te water. Zij veroorzaakten enige beste explosies.
Arthuro was na een snelle inspectie van de plek, zonder enige vis, met snel kloppend hart en een enigszins licht hoofd met grote snelheid richting huis vertrokken.
Toen wij hem later spraken vertelde hij dat hij erg was geschrokken. Hij had niet gedacht dat die bommetjes zulke grote knallen zouden geven.